HomeActueelCultoura Artikelen

Cultoura Artikelen

Hier kunt u diverse artikelen lezen die eerder in ons reismagazine 'Cultoura' verschenen. 

De vroege beschavingen van Iran

Auteur: Fik J.A.M. Meijer



De vroege beschavingen van Iran

Kunstschatten in Bonn
Van de eeuwige sneeuw op de toppen van het Alborz- en Zagrosgebergte tot de verzengende hitte van de Dasht-e Lut woestijn: Iran is een land vol tegenstellingen, een land van extremen. De woestijnen en gebergten omsluiten vruchtbare dalen en weelderige oases, die al bewoond werden vanaf het moment dat mensen hun nomadenbestaan opgaven en zich begonnen te vestigen. Hier ontstonden eerst dorpen, al snel daarna steden waar ambacht en handel bloeiden, en ten slotte landen, waarvan de namen zijn overgeleverd in briefwisselingen met en verslagen van Babyloniërs en later Grieken.


Hier liggen de wortels van de Iraanse beschaving. De bergen boden bescherming en grondstoffen, terwijl wilde dieren en mythische wezens de wildernis bevolkten. Daarvan getuigen voorstellingen zoals taferelen van vechtende dieren op stenen vaatwerk uit de pas recent ontdekte grafvelden van Jiroft in Zuidoost-Iran, de fantasievolle beschilderingen van aardewerken potten uit Susa en oorlogstaferelen op de gouden bekers uit Hasanlu.

Meden en Perzen

Verscheidene volkeren hebben in de oudheid Iran bewoond. Van hen hebben de Perzen het meest hun stempel op de cultuur gedrukt. Rond 1000 v.Chr. trokken ze naar de Iraanse hoogvlakte. Ze vestigden zich in verschillende regio’s waar al vele eeuwen een ander volk, de Elamieten, woonde. De macht van de Elamieten taande en de Perzen en de Meden streden om de macht. Aanvankelijk waren de Meden superieur, maar geleidelijk traden de Perzen meer op de voorgrond. Met de opkomst van Cyrus II, de stichter van de dynastie van de Achaemeniden, veranderden de machtsverhoudingen. In 559 v.Chr. kwam hij aan de macht en bij zijn dood, in 530 v.Chr., waren Lydië, Medië en een groot deel van Mesopotamië onderworpen aan het gezag van de Perzen. Zijn opvolger Cambyses voegde Egypte aan het Perzische grondgebied toe en onder Darius bereikte het rijk zijn grootste omvang. 

Centrum van een wereldrijk

Maar wat weten we van Iran? Dat het onder de Achaemeniden tweehonderd jaar het centrum van een wereldrijk was. Het is alom bekend dat het goed georganiseerd was en dat gouverneurs, satrapen genoemd, de afzonderlijke deelgebieden uit naam van de koning, die in Persepolis zetelde, bestuurden. Om de communicatie te vergemakkelijken werden er grote wegen aangelegd, waarvan er een van Persepolis via Susa naar Babylon liep. En we weten ook dat de Perzen verschillende goden vereerden en dat de god Zarathustra bij de Achaemeniden de belangrijkste god was. In Persepolis is te zien tot welke architectonische prestaties de Perzen in staat waren. Het grote paleiscomplex is met zijn hoogstaande architectuur een absolute blikvanger. Op de tentoonstelling in Bonn wordt het een en ander uit Persepolis gepresenteerd. Maar de tentoonstelling biedt meer. De vele voorwerpen uit verschillende tijden laten zien dat er voor de machtsgreep van de Perzen al een rijke culturele beleving was. De schatten uit de graven van twee Elamitische prinsessen en de spectaculaire vondsten uit de grafvelden van Jiroft leggen daar getuigenis van af. Ze worden voor het eerst buiten Iran tentoongesteld.




Bekijk hier de reis naar Iran.

Lees verder
De vroege beschavingen van Iran

Schuberts Winterreise en Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen

Auteur: Eveline Nikkels

Schuberts Winterreise en Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen

Tussen droom en werkelijkheid

Het is een bekend verschijnsel, vooral in de Duitse Romantiek: men droomt van een
utopia, een land, een stad of gewoon maar een plaats waar alles goed is. Daar zijn de mensen aardig voor je, daar voel je je niet eenzaam, daar ben je niet buitengesloten, maar vorm je een onderdeel van een gemeenschap, een community.


Hoe rauw kan dan de werkelijkheid zijn als je merkt dat je verstoten wordt, of al bent, dat je niet veel beter bent dan een zwerver die een plaatsje moet zoeken om de nacht door te brengen.
In de Duitse liedliteratuur zijn er legio voorbeelden van deze ‘Wanderer’ die met niemand contact heeft onderweg, alleen maar met de beek of met de vogels die om zijn hoofd cirkelen.
Ik heb het hier natuurlijk over een aantal liederen uit Schuberts Winterreise. Het verhaal in 24 episodes van de man die hoopvol de stad is binnengegaan, maar van een koude kermis thuis is gekomen. Geen liefde en geen huwelijk (“das Mädchen sprach von Liebe, die Mutter gar von Eh”) maar het volgende hartverscheurende beeld: “Fremd bin ich eingezogen, fremd zie ich wieder aus”.
Het begon zo mooi in de maand mei, maar de winter heeft aan alle dromen een eind gemaakt. “Nun ist die Welt so trübe, der weg gehült im Schnee.”
Gelukkig vindt de Wanderer onderweg een rustpunt, waar vele romantische dichters inspiratie hebben opgedaan en die een pars pro toto is geworden voor Liebesfreude en Liebesleid: der Lindenbaum. In de schaduw van zijn takken droomde de Wanderer “so machen süssen Traum”, zowel in ‘Freud’ als ‘Leid’.

Lindenbaum
Veel componisten na hem, met Robert Schumann voorop, hebben de teksten en de muziek van Winterreise als rolmodel aangegrepen om zelf hun misère gestalte te geven. Zo ook Gustav Mahler. In zijn liedcyclus Die Lieder eines fahrenden Gesellen speelt de Lindenbaum een hoofdrol. Evenals bij Schubert wisselen droom en werkelijkheid elkaar hier af, een terugverlangen naar het verleden toen alles nog goed was en een realiseren van het nu, nu alles voorbij is.“Am Brunnen, vor dem Tore da steht ein Lindenbaum” schrijft de dichter Wilhelm Müller. “Auf der Strasse steht ein Lindenbaum” schrijft de dichter Gustav Mahler, die voor zijn Gesellenlieder zelf de teksten schreef. Naar een model hoeft men hier niet ver te zoeken!En daar waar de Wanderer bij Schubert als een vreemdeling in de nacht het huis en de stad moest verlaten, zo ging ook Mahlers Gesell bij nacht en ontij over de donkere heide: “Ich bin ausgegangen in stiller Nacht wohl über die dunkle Heide.” Bij Schubert zegt de Wanderer nog een zacht ‘Gute Nacht’ tot zijn geliefde, bij Mahler heeft niemand hem ‘Ade’ gezegd. Maar gelukkig vond hij de Lindenbaum, die hem bedekt met zijn bloesem. Droom en werkelijkheid lopen hier door elkaar heen. Dit heeft mede te maken met de twee tekstversies die van dit lied bestaan: in de pianoversie is er sprake van een terugblik, een droom-van-toen: “Auf der Strasse stand ein Lindenbaum”, in de orkestversie overheerst het heden: “Auf der Stasse steht ein Lindenbaum.” Het vervolg is dan voor tweeërlei uitleg vatbaar: “Da wusst’ ich nicht wie dan Leben tut, war alles wieder gut. Lieb und Leid und Welt und Traum.” Met een wandelbeweging in de bas eindigt de muziek, waar zal deze tocht eindigen? In de orkestversie met een tamtam, het instrument des doods.

Wegweiser
Bij Winterreise wordt er sowieso verder gewandeld, wij moeten nog langs twee wondermomenten, waar droom en werkelijkheid optimaal door elkaar heen lopen. In ‘der Wegweiser’ realiseert de Wanderer zich dat hij op een kruispunt in zijn leven is gekomen. Hij wil niemand zien, vermijdt de wegen waar misschien nog andere Wanderer lopen, tot hij bij de Wegweiser komt. Twee wegen staan hem open: terug naar de stad, terug naar de vijandige mensen - een reële optie - of de weg waarvan nog nooit iemand is teruggekeerd: “Eine Strasse muss ich gehen, die noch keiner ging zurück”, Utopia in de dood?

In het laatste lied ‘der Leiermann’ staat de Wanderer opnieuw voor de keuze: meegaan of ter plekke blijven en wachten tot de dood hem haalt. Maar de vraag wordt slim aan de Leiermann gesteld, waardoor de Wanderer zich als het ware indekt tegen een verkeerde beslissing:
“Wunderlicher Alter, soll ich mit dir geh’n? Willst zu meinen Liedern deine Leier dreh’n.”
Ook de muziek eindigt met een vraag. Het is aan de interpreet en zijn begeleider om ons de weg te wijzen, blijven wij in een droom of heeft de bittere waarheid ons ingehaald?

Bekijk hier de reis naar Schwarzenberg.

Lees verder
Schuberts Winterreise en Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen

Herinneringen in Ieper aan de de Grote Oorlog

Auteur: Hans Wilbrink



Honderd jaar Eerste Wereldoorlog 

Herinneringen in Ieper aan de Grote Oorlog


In het westen van Vlaanderen is de Eerste Wereldoorlog nog dagelijks voelbaar. In dit landschap van schroot en knoken vochten honderd jaar geleden honderdduizenden mannen vier jaar lang verbeten in de Vlaamse modder om enkele vierkante kilometers. Belgen, Britten en Duitsers, maar ook Canadezen, Chinezen, Congolezen en zelfs Russen. 
 
Nu is het landschap bezaaid met grafstenen, kraters en monumenten en één grote plaats van herinnering geworden. De wapens zwijgen, maar de elk jaar toenemende aantallen bezoekers zorgen ervoor dat de Grote Oorlog niet vergeten wordt. In Ieper kom je de oorlog dagelijks nog tegen.

Menenpoort
Sinds 1928 staat elke avond om 20.00 uur de tijd even stil in Ieper. Twee klaroenblazers van de gemeentelijke brandweer blazen onder de Menenpoort de Last Post en de altijd drommen aanwezigen denken waarschijnlijk even aan de honderdduizenden mannen die honderd jaar geleden sneuvelden in de modderige loopgraven rondom de stad. Meer dan 55.000 namen van de vermisten zonder aanwijsbaar graf staan in de wanden van de Menenpoort gegraveerd en omringen letterlijk de plechtigheid. Ieper wordt zelf ook omringd door tientallen grote en kleine begraafplaatsen, waar de witte stenen strak in het gelid staan met daarop namen of simpelweg de tekst ‘A soldier of the Great War - known unto God’. 
De Menenpoort in Ieper is een van de meest herkenbare plaatsen van herinnering aan de Eerste Wereldoorlog en heeft iconische waarde voor de herdenking. Ook - of beter gezegd juist - nu de oorlog honderd jaar geleden is komen er elk jaar meer mensen naar Ieper om met eigen ogen te zien waar deze oorlog heeft gewoed en een poging te doen om zich het onvoorstelbare voor te stellen. De voorgelezen strofe uit het gedicht “For the Fallen” uit 1914 van de Britse dichter Laurence Binyon maakt elke avond weer diepe indruk: 
“They shall not grow old, as we that are left grow old/Age shall not weary them, nor the years condemn/At the going down of the sun and in the morning/We will remember them.” 

Bier en satire
Vlak naast de Menenpoort is in een van de zeventiende eeuwse kazematten van de vestingmuur van Ieper een restaurant te vinden waar Wipers Times bier wordt gebrouwen en geschonken. Dit bier draagt de naam van de soldatenkrant die honderd jaar geleden op diezelfde plek werd gemaakt en was vernoemd naar Ieper. ‘Ypres’ in het Engels en verbasterd tot Wipers in het Britse soldatenjargon. De krant was een bijtende satire op de oorlog en een combinatie van onnavolgbare Britse humor à la Monty Python en Blackadder: “Are you a victim of optimism? We can cure you. Two days spent at our establishment will effectually eradicate all traces of it from your system.” De omgeving van Ieper werd vooral aangeprezen vanwege de vele toeristische mogelijkheden: “Underground residences ready for habitation. Shooting perfect! Fishing good!”

Schroot en knoken
De oorlog komt letterlijk naar boven zodra er een schop of ploeg de grond in gaat - in de vorm van schroot en gebeenten. Het hele gebied rondom Ieper is eigenlijk één grote archeologische vindplaats en begraafplaats. Boeren in de omgeving stuiten nog steeds op explosieven en leggen die routineus bij lantaarnpalen langs de kant van de weg, zodat de Dienst voor de Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen de obussen kan ophalen. Ook bijna een eeuw na het zwijgen van de wapens gaat het soms nog mis en maken de granaten alsnog hun slachtoffers. Soms worden er nog soldaten geïdentificeerd en krijgen alsnog ten lange leste een graf. De Grote Oorlog is in Ieper op allerlei manieren nog actueel.




Bekijk hier de reis naar Ieper.

Lees verder
Herinneringen in Ieper aan de de Grote Oorlog

Powis Castle

Auteur: Hettie Peterse

Landgoed van een illustere familie

Powis Castle

Powis Castle is vanaf de middeleeuwen altijd als woning in gebruik geweest. De opeenvolgende bewoners speelden een rol tijdens belangrijke periodes in de Britse geschiedenis. De historische gelaagdheid van het kasteel, de schitterende terrastuinen en de fraaie ligging van het geheel hebben een uniek monument opgeleverd, dat met recht aanspraak maakt op de titel ‘meest grandioze residentie van Wales’.


Hoog boven de vallei van de Severn rijst Powis Castle op. Het kasteel, dat uit rood zandsteen is opgetrokken, was oorspronkelijk in bezit van de Prinsen van Powys. De laatste prins Gruffudd ap Gwynwynwyn moest eind 13e eeuw op bevel van de Engelse koning Edward I zijn vorstelijke titels neerleggen en leefde verder als baron van Powis. In 1587 kocht de Engelse edelman Edward Herbert het middeleeuwse kasteel en transformeerde het tot een comfortabel woonverblijf. Hij bouwde onder meer de lange galerij met eikenhouten wandbetimmeringen en typisch Elizabethaanse stucdecoraties.

Paleisachtige proporties
De Herberts hielden het kasteel gedurende bijna 400 jaar in bezit, waarbij iedere generatie - met respect voor het werk van zijn voorgangers - zijn eigen stempel drukte op het gebouw. Zo breidde de eerste Markies van Powis rond 1660 het kasteel en de tuinen uit tot paleisachtige proporties. Hij legde de pronktrap aan en de statieruimtes op de eerste verdieping liet hij decoreren door Engelse topkunstaars. Tevens gaf hij de aanzet tot de baroktuinen. Deze zijn tamelijk uniek in Groot-Brittannië, omdat in de 18e eeuw de formele tuinen vrijwel overal werden vervangen door parken in landschapsstijl. Heel bijzonder zijn de enorme taxusbomen die als een groene kraag het kasteel omgeven.

Weer in bezit van familie Herbert
De Rooms-katholieke markies volgde koning James II in Franse ballingschap, nadat deze door zijn schoonzoon Willem van Oranje was afgezet. Hij keerde nooit meer terug naar Powis. De nieuwe (stadhouder-)koning Willem III gaf het bezit aan een van zijn getrouwen. In 1722 kreeg de familie Herbert het kasteel terug. De laatste Herbert van Powis was Henrietta Herbert. Zij liet haar portret schilderen door Sir Joshua Reynolds, het hangt nog steeds in de eetkamer. Henrietta trouwde met Edward Clive, zoon van Robert Clive, de veroveraar van India. Aan hem danken we de Clivecollectie bestaande uit kostbare kunstvoorwerpen uit India en het Verre Oosten. Het Clivemuseum is gehuisvest onder de balzaal. Edward Clive werd eerste graaf van Powis. Hun oudste zoon en erfgenaam nam de naam Herbert aan. In het begin van de 20e eeuw restaureerde George Herbert, vierde graaf van Powis, het kasteel, terwijl zijn vrouw Violet de tuinen deed herleven. In 1952 droeg George Herbert het landgoed over aan de National Trust. De huidige achtste graaf, John Herbert, bewoont met zijn gezin echter nog steeds een appartement in het kasteel.



Bekijk hier de reis naar Veelzijdig Wales.

Lees verder
Powis Castle

De Aesculaap

Auteur: Henk W. Singor

De aesculaap

En andere slangen

De om een staf gekronkelde slang als symbool van de huisarts kennen we allemaal.
Het is de aesculaap, genoemd naar Aesculapius, de Latijnse naam voor de Griekse god van de geneeskunde Asklēpios. Die god werd bijna altijd afgebeeld met een slang aan zijn zijde, gekronkeld om zijn staf. In het kleine museum van Epidauros, waar zich het beroemdste heiligdom van deze god bevond, is een groot aantal beelden, beeldjes en reliëfs te zien waarop de baardige godheid zo is afgebeeld. Waarom die slang als zijn begeleider?


In de Griekse oudheid werden slangen over het algemeen niet als kwaadaardig gezien. Men kende de adder als gifslang, maar een groot gevaar ging van dat dier niet uit en andere slangen waren goedaardig. Wel leerden sommige Grieken elders gevaarlijke slangen kennen, zoals de brilslang in Egypte of, sinds de expeditie van Alexander de Grote, de Indische gifslangen en pythons. Dat kon tot sensationele berichten leiden over monsters die een mens alleen maar hoefde aan te raken om meteen te sterven of over reuzenslangen van tegen de twintig meter lang. Maar dat was vooral griezellectuur; in de praktijk van het leven in de Griekse wereld waren slangen eigenlijk goedaardig. Ze konden zelfs als huisdier worden gehouden, vooral in de provisiekamer of de kelder waar ze de muizen opaten en zo de amforen met graan beschermden. Geen wonder dat de god die als dé beschermer van het woonhuis gold, Zeus Meilichios of Zeus Ktēsios, als een slang werd voorgesteld. Zo ook de tweeling van de Dioskouren, zonen van Zeus, die op reliëfs in het museum van Sparta soms als twee amforen en/of twee slangen worden afgebeeld.

Met de aarde verbonden
Slangen werden altijd met de aarde in verband gebracht. Men meende zelfs dat ze eigenlijk uit de aarde voortgekomen waren. Vandaar dat goden die met de aarde verbonden waren ook weer met slangen geassocieerd konden worden, zoals Zeus als beschermer van het huis. De aarde als plaats van de doden verbond de slang óók met het dodenrijk. Op reliëfs met Persephonē, de heerseres van de onderwereld, kronkelt dikwijls een slang achter haar zetel omhoog. Ook kon de slang naar de gestorvene zelf verwijzen, zodat we op reliëfs waarop de dode is afgebeeld, liggend op een rustbed om van het dodenmaal te genieten, vaak een slang naast hem zien oprijzen. De Giganten, die eenmaal bijna de Olympos hadden veroverd als Herakles de goden niet te hulp was gekomen, werden ook voorgesteld met onderlijven van slangen, omdat zij uit de aarde geboren zouden zijn. Evenzo waren Erechtheus en Kekrops, oudste en mythische koningen van Athene, half mens half slang, omdat de Atheners er trots op waren ‘autochtoon’, dit is uit de aarde geboren, te zijn.

Met een slang in bed

In de cultus speelden slangen een belangrijke rol. Al op Kreta vóór de komst van de Grieken hanteerden priesteressen slangen bij hun dansen en processies. Later deden vrouwelijke ingewijden in de mysteriën van Dionysos ongeveer hetzelfde. Van Olympias werd verteld dat zij uitbundig met slangen omging en eenmaal was ontwaakt met een slang in haar bed: dat moest, beweerden bepaalde kringen, Zeus zelf geweest zijn, die zo haar zoon, de toekomstige Alexander de Grote, verwekt zou hebben.

Geheim van onsterfelijkheid
Door regelmatig zijn huid af te werpen en zich als het ware te verjongen leek de slang het geheim van de onsterfelijkheid te bezitten. Mogelijk was dat de achtergrond van de continue aanwezigheid van een slang naast de goddelijke geneesheer Asklēpios. Al denken sommige geleerden dat die god eenvoudig een oudere aardgodheid vervangen had en diens attribuut overgenomen had. Hoe dat ook zij, het dier vergezelde de god altijd en zou zieken genezen hebben door ze te likken met zijn gespleten tong. In het heiligdom van Epidauros overnachtten de patiënten in een speciale slaapzaal, waar zij dikwijls van die aanraking door de goddelijke slang droomden. Mogelijk hielpen de priesters daarbij een handje door de patiënten in hun slaap zachtjes met tamme slangen te beroeren. Want in Epidauros werd in een speciale heilige kuil een hele verzameling van Asklēpiosslangen gehouden. Het waren de ‘helpers’ van de godheid, maar eigenlijk belichaamden zij hem ook. Want wanneer er elders een Asklēpiosheiligdom werd ingericht haalde men daarvoor een slang uit Epidauros op: in die gedaante nam de god dan intrek in zijn nieuwe tehuis. Toen een Romeins gezantschap in 291 v.Chr. met een slang uit Epidauros in Rome terugkeerde gleed het dier spontaan van het schip in de Tiber af om naar het Tibereiland te zwemmen. Vanzelfsprekend werd daar zijn heiligdom ingericht, dat tot ver in de negentiende eeuw een hospitaal is gebleven.

Klik hier voor meer informatie over de reis naar Athene, de Peloponnesos en Delfi.

Lees verder
De Aesculaap

De amfitheaters van Capua

Auteur: Fik J.A.M. Meijer

De amfitheaters van Capua

Tastbaar Romeins verleden

Het grote amfitheater van Capua kun je al van verre zien liggen. Telkens weer verschijnt het tussen de huizen van het moderne Santa Maria Capua Vetere, een stadje in Campanië, zo’n vijfentwintig kilometer van Napels, om even zo vaak weer uit het zicht te verdwijnen, totdat het ten slotte, als de bus de laatste moeilijke bocht vanuit de hoofdstraat heeft genomen, groots opdoemt. Het is het enige monument in Capua dat ons iets tastbaars van het rijke Romeinse verleden meegeeft. Verder herinnert weinig aan de glorie van de oude stad, of het zou de Romeinse boog uit de tijd van keizer Hadrianus (118-137) moeten zijn die de doorgangsweg versmalt en grote verkeersopstoppingen teweegbrengt.

Een bezoek aan dat amfitheater is een openbaring, ook al omdat er dagelijks maar enkele tientallen bezoekers komen en je mag gaan en staan waar je wilt. Je loopt door een van de twee grote toegangspoorten de arena in en kijkt naar de tribunes, die helaas gedeeltelijk door aardbevingen zijn weggeslagen. Je verbaast je erover dat een middelgrote stad als Capua zich zo’n groot amfitheater kon permitteren, dat niet eens zo veel kleiner is dan het Colosseum.

Wrange werkelijkheid
De grote verrassing moet dan nog komen. Bij de binnenste ring leiden verschillende trapjes naar beneden. Diep verscholen onder de vloer van de arena word je spontaan meegevoerd naar de duistere achtergronden van de gladiatoren- en vooral de dierengevechten. De wrange werkelijkheid dringt zich er aan je op. Het gangenstelsel en de hokken waarin de wilde dieren en de gladiatoren kort werden ondergebracht voordat ze een gruwelijke dood stierven, is immens. Het roept de vraag op wat de Romeinen bezielde om zo veel geld te besteden aan hun ‘theaters des doods’.

Spartacus
Ik moet er dan wel onmiddellijk bij vertellen, dat ik het nieuwe amfitheater uit de eerste/tweede eeuw van onze jaartelling op het oog heb. Het oudste, veel kleinere, uit de tweede eeuw v.Chr. vertelt een ander verhaal. Niet over dierengevechten, maar over een gebeurtenis die in alle geschiedenisboeken terecht is gekomen: het begin van de slavenopstand van Spartacus in 73 v.Chr. Hier vocht de Thraciër Spartacus. Hij was ooit soldaat geweest in het Romeinse leger, maar was gedeserteerd. Na zijn arrestatie werd hij veroordeeld tot het gladiatorenbestaan. Samen met tachtig anderen wist hij uit de nabijgelegen gladiatorenschool te ontsnappen. Hij zocht zijn heil op de hellingen van de Vesuvius en kreeg al snel een grote toeloop van slaven die hoopten dat hij hen naar een beter leven zou leiden. Zolang de Romeinen van mening waren dat het ging om een samenraapsel van wanordelijk optredende slaven, en weigerden Spartacus en de overige ontsnapte gladiatoren als volwaardige tegenstanders te zien, moesten zij nederlagen incasseren. Pas toen ze tot inkeer kwamen en de rebellen met echte legers tegemoet traden keerde het tij. Uiteindelijk werden de opstandelingen opgesloten in de laars van Italië en verslagen door een leger onder leiding van Crassus. Spartacus vocht dapper en vond de dood als een echte legeraanvoerder. Velen van zijn medestrijders werden gevangen genomen, en langs de Via Appia gekruisigd.

Bekijk hier de reis naar Napels en omgeving.

Lees verder
De amfitheaters van Capua

Grote Franse Schrijvers

Auteur: Angélique van der Horst

Grote Franse schrijvers

Flaubert ging ons voor

Tijdens onze rondreis door Bretagne komen we verschillende grote Franse schrijvers tegen zoals Jules Verne (1828-1905), die in Nantes geboren is, en
de schrijver-politicus Chateaubriand (1768-1848), die - geheel passend bij zijn romantische inborst - begraven ligt op een door wind en golven geteisterd eilandje vlak voor Saint-Malo.


Bovendien zal één literair genie bijna continu met ons meereizen: Gustave Flaubert (1821-1880). Hij trok als jonge man in 1847 met zijn boezemvriend en collega-schrijver Maxime Du Camp (1822-1894) langs de Loire en door Bretagne. Ze wilden er samen een boek over schrijven: Flaubert zou de oneven hoofdstukken voor zijn rekening nemen, Maxime Du Camp de even. Maar alleen Flaubert werkte zijn reisnotities uit. Pas na zijn dood verscheen het reisverhaal in boekvorm onder de titel Par les champs et par les grèves (Langs velden en oevers, de Nederlandse editie uit 2001 werd vertaald door Ernst van Altena).

‘Hartstikke leuk’
Du Camp en Flaubert deden enkele maanden over hun ‘roadtrip’. Flaubert was op dat moment een schrijver in de dop, dus verwacht geen briljante literatuur, maar hij was duidelijk bezig zijn pen te scherpen. Hij schreef lyrisch, onderzoekend, soms venijnig en vaak bijzonder grappig over allerlei plekken in Bretagne waar nog steeds reizigers op afkomen. Achteraf moest Flaubert concluderen dat het ondanks de soms barre omstandigheden in het zeer primitieve Bretagne, een ‘hartstikke leuke tocht’ was geweest. Hij is diep onder de indruk van de standvastigheid van de natuur, vooral van de zee, die zich niet gek laat maken door al die drukdoenerige, ijdele en bespottelijke mensen die de wereld bevolken. Of zoals Flaubert het samenvat: ”De geschiedenis is, net als de zee, mooi om dat wat zij uitwist: de volgende golf wist het spoor van de voorgaande in het zand, je kunt alleen maar zeggen dat er een geweest is, dat er weer een zal komen; wellicht is dat de gehele poëzie en de moraal ervan?“

Bekijk de rondreis door Bretagne hier.

Lees verder
Grote Franse Schrijvers

Baptisteria in Ravenna

Auteur: Henk Singor

Baptisteria in Ravenna

Een baptisterium is een doopkapel met een doopvont, bestemd voor het ritueel van de onderdompeling. Zo’n baptisterium stond naast of vlakbij de hoofdkerk van een stad, omdat in de regel de bisschop het doopritueel voltrok. Het oudst bekende baptisterium dateert van ongeveer 240. Uit de periode tot en met de zevende eeuw zijn ruim 400 baptisteria bekend. Tot de beroemdste behoren ongetwijfeld de twee van Ravenna met hun schitterende en fascinerende mozaïeken.

Twee, omdat eerst de orthodoxen of katholieken rond 458 hun baptisterium kregen en iets later, rond 500, de Arianen. Dat waren christenen die de Drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest verwierpen en Christus mét de Heilige Geest als schepselen van God beschouwden. Zij werden door de officiële kerk als ketters gezien, maar omdat de Goten, die het rond 500 in Italië voor het zeggen hadden, Ariaans waren, liet hun koning Theodorik in zijn residentie Ravenna voor zijn geloofsgenoten een aparte doopkapel bouwen.

Vroege christenen
Voor de vroege christenen was de doop het belangrijkste moment van hun leven. Daardoor schudde een mens in principe zijn zondige leven van zich af om zich helemaal te kunnen richten op het eeuwige leven dat Christus in het vooruitzicht stelde. De vroege christenen vatten dit zeer ernstig op, ervan overtuigd dat gedoopten eigenlijk al ‘heilig’ waren en dus verzekerd van een plaats in het komende Koninkrijk van God.
Alleen gedoopten namen daarom deel aan het ritueel van de eucharistie, waarbij ongedoopte christenen en anderen letterlijk de deur gewezen werd. Sommigen gingen zo ver om ná de doop zo ascetisch mogelijk, zelfs celibatair te leven, geheel aan Christus toegewijd. Een ernstige zonde die ná de doop was begaan maakte daarom aan die ‘heiligheid’ en dat vooruitzicht op het eeuwige leven abrupt een einde. Voor zo’n ‘doodzonde’ kon de bisschop geen vergiffenis schenken, alleen God zelf en dan nog bij uitzondering, meende men. Die betekenis van de doop verklaart waarom pas na het nodige onderricht in de christelijke leer en een lange voorbereidingstijd dat ritueel ondergaan kon worden. Dat gebeurde meestal op volwassen of tenminste jongvolwassen leeftijd en na een catechisatie van minstens een jaar. Pas vanaf de vijfde eeuw zou geleidelijk de kinderdoop normaal worden – waarna, ook geleidelijk, de baptisteria voor de volwassenendoop zouden verdwijnen.

Palmenzang
Het volwassenenritueel had trekken van een overgangsrite naar een nieuwe fase, vol symboliek van dood en opstanding. In een vertrek naast de doopkapel werden de dopelingen over hun geloof ondervraagd door de bisschop en werden door die geestelijke in een speciaal ritueel de demonen uitgedreven die zich in de loop der jaren in hun lichamen genesteld hadden. Daarna legden zij hun kleren af, symbolisch voor de oude en zondige mens, en werden zij in het baptisterium door de bisschop, geholpen door twee dienaren, driemaal in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest ondergedompeld. Bij vrouwelijke dopelingen werd de bisschop door twee vrome weduwen bijgestaan en werden er voorhangsels om het doopvont gespannen. Vervolgens ontvingen de gedoopten witte kleding en bracht in een belendend vertrek de bisschop hun het heilige zalfsel op het voorhoofd aan. Daarop schreden zij in processie met brandende kaarsen de kerk binnen, waar de gemeente de nieuw ingewijden, opgestaan uit de dood tot het eeuwige leven, met psalmgezang ontving.

Goudmozaïek

De baptisteria in Ravenna verwezen nadrukkelijk naar al die geloofswaarheden. In het midden van de twee koepels zien we in mozaïek Jezus’ doop in de Jordaan met de duif van de Heilige Geest en bij de orthodoxen bovendien de vaag zichtbare hand van God de Vader. In een brede band daaronder schrijden de twaalf apostelen in witte kledij, met de martelaarskronen die hun het eeuwige leven garanderen eerbiedig in de verhulde handen. In het rijkere baptisterium der orthodoxen volgt daar weer onder een band met allegorische voorstellingen, onder andere tronen en altaren met evangelieboeken. Het overheersende goudmozaïek in beide kapellen verwijst weer symbolisch naar de hemel.

Bijna altijd zijn de baptisteria rond of, zoals in Ravenna, achthoekig. Vrijwel zeker is dat een afgeleide van de vorm van mausolea, zo verwijzend naar de dood en het graf. De doopkapel was op zijn wijze immers een ‘graf’ waar een mens in verdween om herboren weer op te staan. Geen wonder dat zoveel christenen zich op paasmorgen lieten dopen! Daarbij kwam dat de achthoekige vorm ook symbolisch de acht hemelen opriep. Zeven die als de sferen van zon, maan en planeten om de aarde cirkelden en een achtste van de sterren daarboven, de eigenlijke woonplaats van God, waarheen de dopelingen immers op weg waren.

Bekijk hier de reis naar Byzantijns Noord-Italië.

Lees verder
Baptisteria in Ravenna

De VOC en Kaapstad

Auteur: Meike de Goede


Een Haag van Bittere Amandelen

'De VOC en Kaapstad'

​In de botanische tuin van Kaapstad staat een historisch haagje, dat wil zeggen, enkele knoestige oude bomen. Het zijn de laatste resten van de ‘Haag van Bittere Amandelen’ die Jan van Riebeeck, commandant van de Kaapkolonie, in 1660 liet aanplanten ter verdediging tegen invallen van de inheemse bevolking.

Toen Jan van Riebeeck Kaapstad stichtte als verversingspost voor de lange reis tussen Europa en Azië was de Kaap geen onbevolkt gebied. De mensen die er leefden werden destijds Bosjesmannen (San) en Hottentotten (Khoikhoi) genoemd. De San waren jagers en verzamelaars en de makers van de beroemde rotstekeningen die in Zuid-Afrika op veel plekken te vinden zijn. De Khoikhoi hielden vee en schapen en trokken rond met de seizoenen.

Vrijburgers
In de jaren na de stichting van Kaapstad breidde de kolonie zich al snel verder uit rondom de Tafelberg. Tot grote frustratie van de Nederlanders waren de Khoikhoi erg terughoudend in het verkopen van hun vee en schapen. De veestapel van de VOC zelf en de Compagnietuinen (de moestuin van de VOC) produceerden niet genoeg om aan de vraag te voldoen. In 1657 gaf de VOC voor het eerst land aan ‘vrijburgers’ (‘vrij’ omdat ze niet in dienst waren van de VOC) om de goederen teproduceren die nodig waren om de verversingshaven te bevoorraden – vee, schapen, landbouwproducten, wijn en hout. Al snel raakten de Nederlanders in conflict met de Goringhaiqua, een groep Khoikhoi die in het gebied rond de Tafelberg leefden. In de vroege zomer verbleven zij in de Tafelvallei, in de hoogzomer trokken ze naar Houtbaai in het zuiden en in de winter naar Boland ten noordwesten van Kaapstad. De VOC negeerden aanspraken van de Khoikhoi op land omdat zij het land niet permanent bewoonden en geen staatsvorm in de Europese zin van het woord hadden. Het land was dus van niemand en dus werd het land van de VOC. In tegenstelling tot in andere gebieden die bestuurd werden door de VOC, werd de lokale bevolking dus niet onderworpen aan VOC bestuur, maar simpelweg verdreven. Toen land vergeven werd aan vrijburgers, werd de Goringhaiqua toegang tot deze gebieden ontzegd. Ze mochten er alleen nog komen als ze hun vee verhandelden aan de VOC. De vestiging van de Nederlanders in hun leefgebied betekende dus een grote bedreiging voor hun voortbestaan.

Eerste oorlog
In 1559 liep deze situatie volledig uit de hand met gewelddadige aanvallen over en weer tussen de vrijburgers en de Goringhaiqua als gevolg. De Haag van Bittere Amandelen werd aangeplant als een verdedigingslinie tegen deze invallen in het land van vrijburger Leendert Cornelissen, nu de Botanische Tuin Kirstenbosch. De vredesonderhandelingen maakten een (tijdelijk) einde aan het conflict, maar de Goringhaiqua verloren wel alle aanspraak p en toegang tot hun oorspronkelijke leefgebied. Deze eerste oorlog was zeker niet de laatste. In de periode van expansie van de Kaapkolonie zouden er nog vele conflicten met verschillende Khoikhoi groepen volgen, waardoor de Khoikhoi steeds verder verdreven werden en hun oorspronkelijke manier van leven moesten opgeven. Als gevolg van oorlogen, ziekten zoals de pokken, en het steeds verder inperken van het leefgebied, zijn de Khoikhoi en San sinds de migratie van nieuwkomers naar Zuid-Afrika bijna verdwenen. In het Zuid-Afrika van vandaag zijn ze sociaal-economisch en politiek volledig gemarginaliseerd en hebben ze zich teruggetrokken in reservaten en natuurgebieden waar ze hun manier van leven in stand kunnen houden.

Blank geweld
Haag van Bittere Amandelen van Van Riebeeck is een monument van de ondergang van de inheemse bevolking in de Kaapstreek. Maar in de context van de 20e-eeuwse geschiedenis van Zuid-Afrika, die toch vooral gedomineerd wordt door conflict en sociale uitsluiting, heeft deze Haag van Van Riebeeck nog steeds een bittere smaak. Jacob Zuma zei onlangs dat “de komst van Jan van Riebeeck in Kaapstad het begin was van alle problemen in Zuid-Afrika.” In de ogen van velen staat deze haag symbool voor een geschiedenis van sociale uitsluiting en blank geweld tegen de gekleurde bevolking van Zuid-Afrika. Met het aanplanten van de haag werden de wortels gelegd voor de manier waarop blank Zuid-Afrika zich afscheidde van de rest van (zwart) Afrika en voor de Apartheid die drie eeuwen later werd geïnstitutionaliseerd. Zuid-Afrika heeft een bewogen geschiedenis. Het verhaal van de Haag van Bittere Amandelen herinnert ons er aan dat de geschiedenis van sociale conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika veel verder teruggaat dan de Apartheid van de tweede helft van de 20e eeuw. Sinds de vestiging van de VOC in Kaapstad heeft Zuid-Afrika migranten opgenomen uit verschillende delen van de wereld: slaven uit andere delen van Afrika en uit Oost-Indië, Franse Hugenoten die een veilig heenkomen zochten ten tijde van de vervolging in Frankrijk, maar ook Europeanen uit allerlei andere landen die met de VOC meereisden om een nieuw bestaan op te bouwen, Chinese en Indische arbeiders en, nadat de Britten de Kaapkolonie overnamen van de Nederlanders, grote groepen Britten. De Zuid-Afrikaanse bevolking is kleurrijk en cultureel bijzonder divers. Maar het heeft ook geleid tot ontzettend veel conflict en geweld, van de Eerste Nederlands-Khoikhoi oorlog in de 17e eeuw tot en met de Apartheid van de 20e eeuw, een erfenis die ook in het huidige Zuid-Afrika voor grote uitdagingen zorgt.

Klik hier voor de reis naar 'Kaapstad en omgeving'

Lees verder
De VOC en Kaapstad

Gouverneur van Nieuw Holland

Auteur: Oscar Hefting

Op zoek naar Maurits 'de Braziliaan'

Gouverneur van Nieuw Holland

​Weinig Nederlanders weten dat Johan Maurits, de voormalige Gouverneur van Nederlands Brazilië (1630-1654), in Brazilië wordt gezien als held. In het licht van de tropische zon schittert zijn buste in Recife op het Praça da Republica. Kinderen krijgen de naam ‘João Maurício’ en ‘Nassau’ is terug te vinden als naam voor scholen, straten en bedrijven. Voor wie goed kijkt zijn, met name in het Noordoosten, nog veel sporen van hem te vinden. Wie was deze Nassau en hoe kan het dat hij in Brazilië verheerlijkt wordt?

Op 18 juni 1604 wordt Johan Maurits als dertiende kind van Jan de Middelste, Graaf van Nassau- Siegen, geboren in familiekasteel Dillenburg. Zijn grootvader Jan de Oude is de broer van Prins Willem van Oranje, wat Johan Maurits tot achterneef maakt van de Prinsen van Oranje, Maurits en Frederik Hendrik. Deze familieband en zijn bekwaamheid zorgen ervoor dat hij als zestienjarige wordt opgenomen in het cavalerieregiment van Frederik Hendrik en al in 1626 tot kapitein bevorderd wordt. De Tachtigjarige Oorlog en de strijd tegen de Spanjaarden zullen grote invloed hebben op zijn leven. In 1629 neemt hij deel aan de belangrijke verovering van ’s-Hertogenbosch en in 1632 helpt hij Maastricht te veroveren. Zijn heldhaftig optreden bij de verovering van de Schenkenschans zorgt ervoor dat hij opvalt en in 1636 het verzoek krijgt Gouverneur van Nederlands Brazilië oftewel ‘Nieuw Holland’ te worden. Hij aanvaardt de functie en vertrekt op 25 oktober van dat jaar met een kleine vloot van vier schepen en 350 man naar Brazilië.

Suikerplantages
Vanwege de rijke suikerplantages verovert de West-Indische Compagnie in 1630 een deel van Noordoost-Brazilië op de Portugezen. Olinda wordt veroverd en de nieuwe hoofdstad Recife wordt gesticht. Toch komen de troepen niet veel verder dan het veroveren van enkele handelsposten langs de Braziliaanse kust. Johan Maurits wordt gestuurd om de kolonie winstgevend te maken. Aan boord heeft hij echter ook wetenschappers en kunstenaars om het nieuwe gebied te onderzoeken en vast te leggen. Zijn droom gaat verder dan alleen het behalen van geldelijke winst. Als hij op 22 maart 1637 in Recife aankomt wordt hij met veel enthousiasme ontvangen. Spoedig trekt hij ten strijde tegen de Portugezen die hij in het zuiden tot achter de Rio São Francisco weet terug te dringen. Hij markeert deze nieuwe zuidgrens door er een fort te bouwen en het zijn naam te geven, Fort Mauritius. In het noorden zou het gebied bijna tot aan de Amazone lopen.

Kunst en wetenschap
In de zeven jaar dat Johan Maurits gouverneur was heeft hij een onuitwisbare indruk achter gelaten. Hij bleek niet alleen een subliem militair strateeg, maar ook een goede mediator om de verschillende bevolkingsgroepen bij elkaar te brengen en samen te laten werken aan een succesvolle kolonie. Godsdienstvrijheid en tolerantie waren hierbij zijn toverwoorden. Hij creëerde district- en gemeenteraden, waarin protestante Nederlanders en katholieke Portugezen samen zitting namen, en in Recife werd de eerste synagoge op het westelijk halfrond opgericht. Zijn stad Mauritiopolis werd een echte Hollandse stad in de tropen met grachten, bruggen en wallen. Paleis Vrijburg was het stralende centrum waar de bevolking de verzamelde tropische planten en dieren kon bewonderen. Ondertussen waren de schilders Frans Post en Albert Eckhout druk bezig om het landschap en de bevolking vast te leggen op papier en doek. Georg Marcgraf deed astronomische ontdekkingen in het observatorium van Paleis Vrijburg en medicus Willem Piso bestudeerde de planten en dierenwereld. Het lukte Johan Maurits, vanwege tegenvallende oogsten, echter niet om de kolonie winstgevend te maken. Daarom werd hij in 1644 naar patria teruggehaald door de bewindvoerders van de West-Indische Compagnie.

Mauritshuis
In Nederland kennen weinig mensen Johan Maurits en herinnert alleen het Mauritshuis in Den Haag aan deze bijzondere gouverneur. In Brazilië wordt hij echter nog steeds verheerlijkt. Zijn buste staat midden op het Praça da Republica en elke nieuwe burgemeester van Recife kondigt aan dat hij de volgende Johan Maurits zal worden. Zo leeft zijn droom naar tolerantie en samenwerking voort.

Klik hier voor de reis naar Brazilië

Lees verder
Gouverneur van Nieuw Holland

Colosseum

Auteur: Fik Meijer

Een bouwproject van slechts tien jaar

Het Colosseum

​In het jaar 70 hadden veel steden in het Romeinse rijk een groot amfitheater, maar Rome moest het nog doen met provisorische accommodaties om het volk gladiatorenshows aan te bieden. Omdat Gladiatorenspelen zo populair waren was het zo opmerkelijk dat de hoofdstad van het rijk een passend amfitheater miste. Het antwoord dat keizer Vespasianus uiteindelijk gaf was verpletterend en stelde alle bestaande amfitheaters in Italië en de provincies definitief in de schaduw.

​De officiële benaming van het nieuwe amfitheater was Amphitheatrum Flavium, maar vanaf de middeleeuwen is het algemeen bekend geworden als het Colosseum, een herinnering aan het grote bronzen beeld van Nero, de Colossus Neronis, dat in de directe omgeving in de voorhal van Nero’s monumentale paleis, de domus aurea, had gestaan. Dit gouden paleis was het symbool geworden van Nero’s arrogantie en spilzucht en had in brede lagen van de bevolking weerstand opgeroepen. Een vijver in de tuinen van dat paleis, dat gelegen was tussen de heuvels Velia, Esquilijn en Caelius, werd als locatie voor het Colosseum gekozen. Het Colosseum moest het symbool worden van een nieuwe tijd waarin de verbondenheid van keizer en volk op een waardige wijze werd uitgedragen en de herinnering aan het slechte verleden van Nero kon worden uitgewist.

Drooglegging
Vespasianus’ bouwmeesters wisten het meer droog te leggen en er met behulp van afwateringskanalen voor te zorgen dat het ook droog bleef. Tienduizenden mensen moeten er te werk zijn gesteld. Er werd gefluisterd dat naast slaven en burgers, die blij waren in de bouw een beetje geld te kunnen verdienen, enorme aantallen joodse krijgsgevangenen, die na de verwoesting van Jeruzalem in 70 naar Rome waren gedeporteerd, bij dit monumentale bouwproject werden ingezet. De bouw nam tien jaar in beslag en iedere Romein moet de vorderingen met toenemende verbazing en bewondering hebben gadegeslagen. Eerst werd het voormalige meer uitgegraven. Meer dan dertigduizend ton aarde werd afgevoerd.

Fundering
Vervolgens werd een fundering gelegd van beton en harde steen, drie tot vier meter diep onder de arena en acht tot twaalf meter onder de dragende pijlers van travertijn. Het hele amfitheater is geconstrueerd vanuit de gedachte dat pijlers in zeven concentrische ringen het totale gewicht moesten kunnen dragen. De pijlers van de binnenmuren reiken tot de zitplaatsen. Ze verspringen enigszins zodat ze de gewelfconstructie onder de zitplaatsen kunnen dragen. Enorme hoeveelheden travertijn, de schattingen spreken van meer dan honderdduizend ton, werden over een speciaal aangelegde weg vanuit de mijnen in Tivoli in de Albaanse bergen aangevoerd. Marmeren platen voor de decoratie van de muren en de bekleding van de zetels van de senatoren werden overal vandaan gehaald, evenals het ijzer waarmee de travertijnblokken aan elkaar werden geklampt.

Afmetingen
Vorm en afmetingen waren zorgvuldig berekend. Het bouwwerk heeft twee denkbeeldige assen van respectievelijk 188 en 156 meter en een omtrek van 527 meter. De arena meet ruim tachtig bij vierenvijftig meter en heeft een oppervlakte van ruim 3.600 vierkante meter. De arena werd van de tribunes gescheiden door een muur van bijna vier meter hoog, doorbroken door twee ingangen voor de gladiatoren aan de uiteinden van de lengteas en twee toegangen voor de keizer en zijn gevolg en de Vestaalse maagden aan de korte zijde. De arena was bedekt met een dikke laag zand die was gestort op een stevige houten vloer. Hoe het er daaronder uitzag bij de inwijding van het Colosseum in 80 onder keizer Titus, weten we niet omdat het ingewikkelde systeem van gangenstelsels en hokken, waarvan de restanten nog goed zijn te zien, is aangelegd door zijn broer Domitianus, die hem in 81 opvolgde. Bouwmeesters hebben de ruimte onder de arena, het hypogeum, door twee loodrecht op elkaar lopende gangen over de lengte- en de breedteas in vier compartimenten verdeeld. Hier bevonden zich in de buitenmuur de kooien waar de wilde
dieren een of twee dagen voor de show wachtten op hun eenmalige optreden in de arena. De buitengevel met een hoogte van bijna tweeënvijftig meter telt vier verdiepingen; gelijkvloers
zijn tachtig boogconstructies met Dorische halfzuilen, op de eerste en tweede verdieping evenveel arcades, omsloten met Ionische en Corinthische zuilen. De bovenste verdieping heeft geen bogen met zuilen maar bestaat uit een dichte muur met vensters waarin vierkante Corinthische zuilen zijn verzonken. De bouw werd voltooid in het jaar 80.

Toeschouwersplaatsen
Bij het ontwerp van de tribunes was nadrukkelijk rekening gehouden met de toeschouwers, die overal op de tribunes een goed zicht moesten hebben op het hele strijdveld. Zeker zo belangrijk was dat ze snel hun plaatsen konden vinden. Alle zitplaatsen waren verdeelqd over drie zones (caveae), die elk bestonden uit zestien wigvormige vakken (cunei). Op ieder plaatsbewijs stond precies aangegeven in welk vak, op welke rij en op welke plaats iemand zat, bijvoorbeeld Cun v, In(feriori) (gradu decimo) viii, (`in het wigvormige vak 5, op de lagere rij 10 op plaatsnummer 8’). Vanaf het plein rond het Colosseum zagen de toeschouwers aan de cijfers boven de zesenzeventig voor het publiek bestemde toegangen direct welke ingang ze moesten nemen. Iedere ingang leidde naar een soort rondgang (ambulacrum) die onder de tribunes uitkwam op een ruimte vanwaar de bezoekers via trappen en ingangen (vomitoria) hun plaats bereikten. Borden wezen de weg. Hoe hoger de zitplaats, hoe ruimer de concentrische rondgang beneden en hoe langer de trappen.
Tijdens ons bezoek aan het Colosseum zullen we uitgebreid stilstaan bij de schouwspelen die in dit immense amfitheater werden gehouden.

Klik hier voor de reis naar Rome

Lees verder
Colosseum

Renaissance en Reformatie

Auteur: Jeroen Stumpel

In de Duitse landen

Renaissance en Reformatie

​De jaren rond 1500, zo’n vijfhonderd jaar geleden, waren in allerlei opzichten beslissend voor de geschiedenis van Europa. De periode sinds de ontdekking van de Nieuwe Wereld rond 1490 tot het ontstaan van de Reformatie rond 1520 was onderdeel van een tijd die een grote bloei en ontwikkeling kende, maar tegelijk ook veel verwarring en conflict teweeg bracht. Het is ook de tijd waarin renaissance-ideeën en -vormen vanuit Italië langzaam de rest van Europa binnen filterden. Volgens velen was daarin de zwanenzang van de middeleeuwen te beluisteren. 

De ‘middeleeuwse’ cultuur in het Duitsland van die dagen heeft om die reden nog steeds de reputatie van een wankele en ietwat aftandse affaire. Ten onrechte: techniek, wetenschap, kunsten en economie floreerden in de Noordelijke landen en zorgden voor een culturele rijkdom die in de latere cultuurgeschiedschrijving in de schaduw is gebleven van de Italiaanse cultuuridealen. Maar het buskruit, de boekdrukkunst en de astronomie van een nieuw heliocentrisch wereldbeeld waren in de Noordelijke landen ontwikkeld. In Neurenberg treffen we de eerste moderne wereldglobe aan en de eerste gedrukte wereldkaart met daarop de vermelding van Amerika.

Schone Kunsten

De kunsten volgden dit patroon, en zo komt het dat de roem van Tillman Riemenschneider, Veit Stoss, Peter Vischer, of Matthias Grünewald bij een groter Europees publiek in bekendheid ver achterblijven bij die van Botticelli of Bellini. Ten onrechte. De Duitse beeldhouwkunst heeft prachtige werken voortgebracht in brons, maar zijn meest bijzondere eigen productie vond haar neerslag in het lindehout. In de architectuur werden complexe wiskundige patronen en ingenieuze gewelfbouw losgelaten op natuurlijke vormen zoals takken en gebladerte. Voor ons is het opmerkelijk te zien met welk gemak de antieke vormentaal zich liet mengen met gotische elementen - alsof er tussen de Italiaanse en de Duitse vormen helemaal geen conflict bestond.

Kentering
Er waren wel degelijk kunstenaars die vonden of voelden dat de vormentaal die wij nu Renaissance noemen op gespannen voet stond met de eigen traditie. Het duidelijkst is dat in de carrière van de grote Albrecht Dürer, die de Italiaanse kunst met een mengeling van bewondering en wantrouwen bekeek, maar we zien het ook in het werk van andere kunstenaars, van Holbein tot Cranach. De spanning tussen Noord en Zuid heeft in deze periode zijn diepste sporen getrokken in de vroege geschiedenis van de Lutherse Reformatie. Hierin kon echt Humanisme, zoals bij Melanchthon, gepaard gaan met een even echt verzet tegen de Italiaanse invloed – immers, de pauselijke macht kwam ook uit Italië. Het is deze soms vruchtbare en soms destructieve spanning tussen Noord en Zuid die we op deze reis zullen verkennen, in het spoor van de gelijktijdige opkomst van de Renaissance en de Reformatie.

Klik hier voor de reis naar Zuid-Duitsland

Lees verder
Renaissance en Reformatie

De San Marco

Auteur: Karel C. Innemée

Monument van een ambitieuze stad

De San Marco

Wie de gevel van de San Marco met zijn koepels en uitbundige decoratie voor het eerst ziet, zal eerder denken aan een sprookjespaleis uit Duizend-en-één-nacht dan aan een Rooms-katholieke kerk. Dat het een uitzonderlijke kerk is, hangt ten nauwste samen met het feit dat Venetië een uitzonderlijke stad was en is.

Voor meer dan duizend jaar is Venetië een stadstaat geweest met hoge ambities, onder leiding van een doge (van het Latijn dux, leider). Die ambities lagen voor een belangrijk deel op het economische vlak en dat betekende concurrentie met andere steden, en niet alleen commerciële rivaliteit, maar ook status in het algemeen speelde een grote rol.

Verzonnen voorgeschiedenis
In 828 stalen Venetiaanse handelaars de relieken van de apostel Marcus uit Alexandrië en brachten ze naar hun moederstad. Er werd een kathedraal voor gebouwd en eeuwen later werd ter legitimatie de mythe gecreëerd dat Marcus de stichter van Aquileia zou zijn en Venetië bezocht zou hebben. Wie geen rijke voorgeschiedenis heeft moet er een verzinnen, alleen geld geeft niet voldoende status. Maar relieken betekenen ook pelgrims, een niet oninteressante bron van inkomsten.

Commerciële en culturele rivaliteit
Al snel werd Constantinopel een belangrijke rivaal, niet alleen als handelsstad, maar ook als culturele metropool. In de jaren ’60 van de elfde eeuw werd begonnen met de herbouw op grootse schaal van de St. Marcus-kathedraal, een kerk die zowel de toenmalige St. Pieter als de Hagia Sophia naar de kroon moest steken. Waar de kathedraal van Constantinopel één grote koepel had, kreeg de San Marco er vijf. In de loop van de twaalfde eeuw werden deze door Byzantijnse mozaïekmakers van indrukwekkende decoratie voorzien. De elfde eeuw was de periode waarin de Byzantijnse mozaïekkunst juweeltjes zoals de decoratie van de kloosters van Daphni, Hosios Loukas en Nea Moni op Chios had opgeleverd en in Venetië wilde men dit in de overtreffende trap herhalen. Maar daar waar de Byzantijnse kerken zorgvuldig gecomponeerde iconografische programma’s hebben, rond de centrale koepel die als symbool van het hemelgewelf fungeert, zien we dat in de San Marco vooral de afmetingen en de overweldigende hoeveelheid (gouden) mozaïek als belangrijk werden gezien. Drie van de vijf koepels hebben composities die elk voor zich als een centrale koepel in een Byzantijnse kerk hadden kunnen functioneren, terwijl de andere twee, gewijd aan heiligen, een wat onbeholpen compositie hebben, alsof de ontwerpers niet goed raad met het oppervlak wisten.

Bloedbad
In de lagere zones van het kerkgebouw wijkt het schema opmerkelijk af van de Byzantijnse traditie. Voornamelijk de lijdensgeschiedenis van Christus krijgt hier aandacht, waar in de Byzantijnse traditie de twaalf hoofdfeesten van het kerkelijk jaar zouden zijn afgebeeld. In het grootste deel van de twaalfde eeuw waren de relaties tussen Venetië en Constantinopel die van rivalen, maar toch relatief goed. In 1182 kwam daar een kentering in, toen in de Byzantijnse hoofdstad een bloedbad werd aangericht onder de Latijnse bevolking, waaronder ook veel Venetianen. In 1204 nam een leger van kruisvaarders en Venetianen de stad in, plunderde, moordde en verkrachtte, waarna een enorme hoeveelheid buit naar Venetië werd afgevoerd. De kerkschat van de San Marco, waar bezoekers nu met open mond naar kijken, is besmeurd geweest met bloed.

Cotton Genesis
Onder de meegevoerde buit moet ook een bijzonder handschrift zijn geweest. In 1731 ging de bibliotheek van Sir Robert Cotton in Londen in vlammen op. Onder de verloren gegane manuscripten was ook de zgn. Cotton Genesis, een vierde- of vijfde-eeuws, rijk geïllustreerd handschrift. Slechts enkele half verkoolde en kromgetrokken fragmenten zijn over, maar die laten genoeg zien van de illustraties om aan tetonen dat het Bijbelboek in Venetië moet zijn geweest aan het begin van de dertiende eeuw. In die tijd, kort na de plundering van 1204, werden in de narthex (voorportaal) van de San Marco mozaïeken in de kleine koepels aangebracht, die gebaseerd waren op de miniaturen uit de Cotton Genesis, de beroemde Scheppingskoepel. Ook diverse andere verhalen uit het Oude Testament, waaronder het verhaal van de zondvloed en het leven van de aartsvader Jozef, werden hier in koepel- en wandmozaïeken uitgebeeld. De stijl van deze mozaïeken komt overeen met die van de manuscripten waaruit ze zijn gekopieerd: veel archaïscher dan de kunst van de vroege dertiende eeuw. Dat moet met opzet zijn gedaan om ze ouder te laten lijken en zodoende kracht bij te zetten aan de Venetiaanse claim op een oude, respectabele voorgeschiedenis. Ook de vier paarden op de voorgevel van de kerk en de twee porfieren beeldengroepen van tetrarchische keizers op de hoek van het gebouw moeten in dat daglicht worden gezien. De San Marco is een religieus monument, maar draagt de sporen van al wat menselijk is.

Klik hier voor de reis naar Ravenna en Venetië

Lees verder
De San Marco

Mahler

Auteur: Eveline Nikkels

Mahler

En de natuur

​Als een rode draad loopt Mahlers liefde voor de natuur door zijn hele oeuvre. Al bij de vroege liederen bezingt de componist de vogelgeluiden in het groene woud en hij eindigt met een lofzang op de vogel die in ‘Das Lied von der Erde’ de lente aankondigt. 

Het begon allemaal toen zijn vader de jonge Gustav op een bankje achterliet in het grote bos. Ieder ander kind zou dan in paniek raken en vertwijfeld zoeken naar stukjes brood die de weg naar huis zouden kunnen wijzen, maar zo niet Gustav Mahler. Als in trance bleef hij uren op zijn plekje zitten, geabsorbeerd en gefascineerd als hij was door de vele geluiden om hem heen. Zijn vader had hem meegenomen op zijn koetskar waarmee hij brandenwijn rondbracht. Niet dat de jongen mee moest uitventen, nee, hij was meer een excuus voor andere bezigheden van papa in het bos. Deze handelingen hadden de vader zo in beslag genomen, dat hij helemaal vergeten was dat zijn kleine jongen nog in het bos was achtergebleven. Thuisgekomen miste de moeder natuurlijk haar kind en vader keerde spoorslags terug naar de plaats waar hij Gustav had achtergelaten. In plaats van een kind in paniek met wangen vol tranen vond hij een verrukte jongen, die de vader wees op het gezang van de vogels in de bomen om hem heen. Deze ervaring is de eerste van een reeks overleveringen, waarin steeds de natuur de hoofdrol speelt.

Vrolijke vink
Een van de meest beroemde voorbeelden is, naast dat jeugdlied “ich ging mit Lust durch einen grünen Wald”, waarvan zelfs een opname met Mahler op de vleugel op een Welte-Mignon-rol bestaat, het tweede lied uit de cyclus ‘Lieder eines fahrenden Gesellen’. In de tekst daarvan maakt een jonge man in de ochtend een wandeling door de met dauw bedekte weide: “Ging heut’morgen übers Feld, Tau noch auf den Gräsern hing, sprach zu mir der lust’ge Fink: ‘Ei, du Gelt? Guten morgen, wird’s nicht eine schöne Welt …” En hoezeer Mahler hield van deze vrolijke vink, merken wij als dit lied zijn intrede gaat doen in de Eerste Symfonie, die in haar eerste deel een soort hymne aan de ontwakende natuur verbeeldt. Het begin is het spannendst: Mahler zegt dat hij daar het flonkeren van het ochtendlicht door de bomen heeft weergegeven, maar hoe doet hij dat? De violen houden heel lang een hoge noot aan terwijl de muziek als het ware zijn weg door het bos zoekt met een dalende kwart en kwint. Misschien heeft Mahler wel nooit een spannender intro geschreven. In de verte horen wij de hoorns van jagers, maar de violen gaan onverdroten door tot zich het thema van het Gesellenlied aankondigt. Wij zijn aangekomen op de plaats van bestemming! Iets dergelijks doet Mahler in zijn Derde Symfonie, waarin hij de natuur in diverse vormen muzikaal gestalte geeft. En ook hier is weer (in het derde deel) een lied een uitgangspunt, een lied dat vertelt hoe de koekoek dood is gevallen: hoe moet dat nu verder als hij ons niet meer
gezellig bezig zal houden? De oplossing is simpel: dat moet de nachtegaal doen, de koekoek en de nachtegaal die wellicht ook de kleine Gustav de tijd hebben doen vergeten, toen hij op zijn bankje zat. Ook in deze symfonie (in het tweede deel) komen we de weide tegen waarop de bloemen in bloei staan. Zij wuiven vriendelijk heen en weer maar worden opgeschrikt door een plotseling opstekende wind, waarna de rust wederkeert. Wellicht was Mahler toch even opgeschrikt op zijn eenzame plek in het bos.

Kunst en wetenschap
In de zeven jaar dat Johan Maurits gouverneur was heeft hij een onuitwisbare indruk achter gelaten. Hij bleek niet alleen een subliem militair strateeg, maar ook een goede mediator om de verschillende bevolkingsgroepen bij elkaar te brengen en samen te laten werken aan een succesvolle kolonie. Godsdienstvrijheid en tolerantie waren hierbij zijn toverwoorden. Hij creëerde district- en gemeenteraden, waarin protestante Nederlanders en katholieke Portugezen samen zitting namen, en in Recife werd de eerste synagoge op het westelijk halfrond opgericht. Zijn stad Mauritiopolis werd een echte Hollandse stad in de tropen met grachten, bruggen en wallen. Paleis Vrijburg was het stralende centrum waar de bevolking de verzamelde tropische planten en dieren kon bewonderen. Ondertussen waren de schilders Frans Post en Albert Eckhout druk bezig om het landschap en de bevolking vast te leggen op papier en doek. Georg Marcgraf deed astronomische ontdekkingen in het observatorium van Paleis Vrijburg en medicus Willem Piso bestudeerde de planten en dierenwereld. Het lukte Johan Maurits, vanwege tegenvallende oogsten, echter niet om de kolonie winstgevend te maken. Daarom werd hij in 1644 naar patria teruggehaald door de bewindvoerders van de West-Indische Compagnie.

Lied von der Erde
Maar het grootste eerbetoon aan de natuur brengt Mahler in zijn ‘Lied von der Erde’, de titel alleen al zegt het: het lied van de aarde, de aarde die de daarop groeiende natuur de gelegenheid geeft om af te sterven en weer opnieuw op te bloeien in een eeuwig durende cyclus van hergeboorten, net zoals hij dat zelf dankzij de filosofie van Friedrich Nietzsche als een soort credo had aanvaard. Zelf heeft hij zijn Lied nooit kunnen horen, maar wij weten door al zijn muziek die de natuur verbeeldt, dat ook wij een onderdeel zijn van de machtige natuur, die haar eigen wetten kent en die ons nog zo veel kan leren.

Klik hier voor de reis In de voetsporen van Mahler

Lees verder
Mahler

Afrodite

Auteur: Henk Singor


Afrodite

De Cyprische godin

​Kypris, zo werd de grote godin Afrodite door de dichters vaak genoemd. Want op het eiland Cyprus zou zij zich voor het eerst aan de mensheid hebben geopenbaard en daar, vooral in Paphos, had zij altijd een van haar belangrijkste heiligdommen.

​De Grieken vertelden een mythe, uiteindelijk uit het Midden-Oosten afkomstig, over de oorsprong van hun voornaamste goden in een opeenvolging van godengeneraties. Eerst waren er alleen Hemel en Aarde en dat echtpaar bracht een reeks godheden voort, reuzen en reuzinnen. Het waren er zoveel dat Moeder Aarde klaagde bij haar jongste zoon Kronos over de Hemelgod die haar geen ogenblik rust gaf en steeds maar weer kinderen verwekte. Daarop ging Kronos tot een drastische daad over: hij stond met geweld op tegen zijn vader, sneed met een sikkel diens mannelijk lid af en wierp dat ver weg in zee. De golven bruisten ervan en uit het schuim rees toen een nieuwe gedaante op: Afrodite, geboren uit het schuim (Grieks: aphros) van de zee (of uit een prachtige zeeschelp, zoals in het mooie schilderij van Botticelli, De Geboorte van Venus). Waar speelde zich dat precies af, zult u zich afvragen. Volgens vele Grieken was dat vlakbij het eiland Kythera, tussen de Peloponnesos en Kreta, maar volgens vele anderen was het vlakbij Cyprus. De Cyprioten waren er vast van overtuigd dat de godin voor hun kust uit het water was verrezen en dichtbij Paphos, waar een merkwaardige rotsformatie aan het strand er nog aan herinnert, aan land was gekomen.

Godin van de seksualiteit
Op Cyprus werd de godin zeker hogelijk vereerd en dat is niet vreemd als we bedenken dat Cyprus vlakbij Syrië en Fenicië (Libanon) ligt, waar Astarte, de grote godin van de vruchtbaarheid thuis was en vanwaar al vroeg bewoners naar het eiland zijn overgestoken. De Grieken die hier in de 13e tot 10e eeuw v.Chr. in verschillende migratiegolven aankwamen, leerden haar kennen, verbasterden haar naam tot Afrodite en ‘reconstrueerden’ uit het woord voor zeeschuim de mythe van haar geboorte (niet alle Grieken geloofden daar trouwens in, want bij Homerus is Afrodite gewoon de dochter van Zeus en de hemelgodin Dione). Met Astarte heeft Afrodite gemeen dat zij de vruchtbaarheid van mens en dier bevordert en dus voortdurend aanzet tot paring. Immers, zonder Afrodite zou het leven niet langer dan één generatie kunnen duren. Men kan haar de godin van de liefde noemen, maar het is beter om haar als de onweerstaanbare macht van de seksualiteit te zien. Daarom was ze ook de godin die de prostituees onder haar hoede nam en werd zij door die beroepsgroep altijd ernstig vereerd. Geen wonder dat ze vooral in havensteden een heiligdom had, waar het bordeelbezoek van de zeelieden als een vorm van hulde aan de godin gezien kon worden. Zeelieden verbreidden haar cultus ook. De Etrusken, die zoveel Griekse goden en mythen overnamen, accepteerden ook Afrodite, wier naam zij verbasterden tot Aprun, waaruit de Romeinen weer de naam Aprilis voor de vreugdevolle lentemaand af zouden leiden.

Eros
Sommige Grieken meenden dat de macht van de seksualiteit zo groot was dat óók het oerpaar Hemel en Aarde zonder dit niet alle volgende goden had kunnen voortbrengen. Die macht noemden zij eros. Toen Afrodite eenmaal bestond werd Eros voorgesteld als haar hulpje, een gevleugeld knaapje dat met zijn pijlschot elk getroffen hart in liefdesverlangen deed ontbranden. Maar eigenlijk moest hij dus al hebben bestaan vóór Afrodite uit de zee geboren was. Dat verklaart waarom Eros op sommige plaatsen niet als jongen, maar als stokoude man gezien werd, zo oud als de wereld zelf. Toch werd hij uiteindelijk een aan Afrodite ondergeschikte god en zo zien we hem vaak als gevleugeld ventje in haar nabijheid, in beelden en in menig mozaïek, ook in het Cypriotische Paphos. Daar en elders wordt hij ook vaak vermenigvuldigd tot een groepje van eroten die om Afrodite of om de wijngod Dionysos heen dartelen. Dat de wijn de harten ook sneller kan doen kloppen, is algemeen bekend. Spelend met en tussen de druiventrossen in mozaïeken en op sarcofagen moesten ze tevens een gelukkig hiernamaals verbeelden. Zo werden ze ten slotte opgenomen in de christelijke beeldentaal als engeltjes in het paradijs, anders dan hun ‘meesteres’ Afrodite, wier zinnelijke liefde te zeer modelstond voor de zonde.

Klik hier voor de reis naar Cyprus

Lees verder
Afrodite

Het Parthenon

Auteur: Henk W. Singor

Het Parthenon

Symbool van Athene en de Griekse beschaving

​Het beroemdste bouwwerk van Athene en de beroemdste Griekse tempel is ongetwijfeld het Parthenon. Het symboliseert Athene en de Griekse beschaving, zoals het Colosseum staat voor het oude Rome, of de Eiffeltoren voor het moderne Parijs. Toch bestaan er over dit monument meer raadsels dan over die andere iconische bouwwerken.  

Het Parthenon is gebouwd in 447-438 v. Chr., toen de staatsman Perikles de politiek beheerste. Het werd gebouwd op de Akropolis, de heuvel midden in de stad, waar eens koningen gezeteld hadden en sinds enkele eeuwen tempels voor de hoofdgodin Athena waren verrezen, een natuurlijke plek vanwaar zij haar stad overzag en beschermde. Die tempels, één oud en eerbiedwaardig, de ander een nieuwbouw die onvoltooid bleef, werden in 480 v. Chr. door de Perzen verwoest. Nadat Athene van die oorlog hersteld was en tot een machtige en rijke
stadstaat was uitgegroeid, zette Perikles door dat de Akropolis en speciaal de tempel voor Athena groots en imponerend herbouwd werden.

Wandelen tussen de zuilen
We kennen de namen van de architecten en beeldhouwers die aan het Parthenon gewerkt hebben: Iktinos, Kallikrates en Pheidias. Van hen was alleen de laatste met zekerheid een Athener. Het Parthenon verrees in het midden van de Akropolis, bijna tegen de zuidwand daarvan aan en grotendeels oost-west georiënteerd. Omdat de toegang tot de Akropolis aan de westkant ligt moest men om het Parthenon heen om bij de ingang aan de oostkant te komen. Die ingang was overigens alleen voor het tempelpersoneel bestemd, de gewone burgers konden via ’s ochtends geopende deuren naar binnen kijken en mochten tussen de zuilen wandelen die het geheel omgaven. Die zuilen, van de Dorische bouworde, zeventien aan de lange en acht aan de korte zijden, stonden op een stylobaat van drie treden, alles uit Penthelisch (Attisch) marmer.

Schatkamer
De eigenlijke tempel of cella was een rechthoekig gebouw binnen die zesenveertig zuilen en bezat zelf ook nog eens zes zuilen aan de beide korte zijden. De cella was verdeeld in een hoofdvertrek, te zien vanuit de geopende deuren aan de oostkant, waarin het enorme godenbeeld stond, gemaakt door Pheidias, ook weer door rijen dunnere, Ionische zuilen omsloten, en een ‘achterkamer’ (opisthodomos) met vier zuilen, waar in principe heilige voorwerpen bewaard werden. Het werd al gauw de schatkamer van Athene, waar letterlijk de duizenden zilveren munten bewaard werden die de zogenaamde bondgenoten van de stad haar als tribuut betaalden.

Beroemde mythen
De tempel was uitbundig versierd met beeldhouwwerk, ooit in felle kleuren beschilderd. Aan de buitenkant gaven tweeënnegentig metopen (rechthoekige reliëfpanelen boven de zuilen en onder het dak) beroemde mythen weer: de strijd van goden tegen giganten (aardreuzen), van lapithen tegen centauren (beschaafde mensen tegen woeste ‘paardmensen’), van de Atheners tegen de Amazonen, van Grieken tegen Trojanen. Al die gevechten konden symbolisch als de overwinning van de Atheners op de Perzen geduid worden. Het zadeldak van de tempel leverde aan voor- en achterzijde driehoekige velden (tympana of pedimenten) op. Aan de oostkant werd het opgevuld met de mythe van de geboorte van Athena uit het hoofd van Zeus, aan de westkant met die van de wedstrijd tussen Athena en haar broer Poseidon om het bezit van de stad (Athena won door een olijfboom op de Akropolis te laten opschieten). Ten slotte werden de cella-muren voorzien van een hoog aangebracht doorlopend fries van honderdzestig meter, dat in de oudheid alleen te zien was als men tussen de buitenste zuilen liep met het hoofd ver in de nek.

Raadsels

Wat nu de raadsels betreft, het fries van de cella (deels in het Akropolismuseum, deels in Londen) stelt de jaarlijkse optocht voor van de Atheense burgerij tijdens de Panathenaia, het grote feest voor de godin. Maar is dat ook zo? Veel zaken lijken daarvoor niet helemaal te kloppen. En dan: was het Parthenon wel een tempel? Er ontbreekt namelijk een altaar voor de ingang. Zonder offers op zo’n altaar kan men eigenlijk niet van een tempel spreken. Was het eenvoudig een schitterend monument om Atheners en vreemdelingen van de rijkdom en macht van Athene te overtuigen? Zo werd het in de oudheid al opgevat en als een waarlijk ‘klassiek’ monument beschouwd. De eigenlijke cultus voor de godin speelde zich in elk geval elders op de Akropolis af. Of lag het toch weer een beetje anders? De raadsels blijven bestaan.

Klik hier voor de reis Athene, de Peloponnesos en Delfi

Lees verder
Het Parthenon

Papa Haydn

Auteur: Eveline Nikkels


Van strijkkwartet via strijkkwintet naar strijksextet

'Papa Haydn'

​Tijdens het muziekfestival van West Cork krijgen wij de unieke mogelijkheid de ontwikkeling van het strijkkwartet te volgen onder het motto van Goethe: “Een goed strijkkwartet is net als het luisteren naar een stimulerend gesprek tussen vier intelligente mensen” en dat geldt natuurlijk ook of misschien nog wel meer voor het kwintet en sextet.

​Het ontstaan van het strijkkwartet kent een leuke anekdote, die wellicht op waarheid berust: Joseph Haydn -‘Papa Haydn’-, de grondlegger van het strijkkwartet van de Weense school, kreeg van zijn broodheer de opdracht een divertimento voor strijkers te schrijven, maar omdat hij alleen maar de beschikking had over twee violen, één altviool en één cello werd het een strijkkwartet!

Nieuw genre
Een nieuw genre werd geboren, een genre, dat tot op de dag van vandaag in zwang is gebleven. Tevoren waren er diverse vormen in omloop, die vaak onder de naam divertimenti hun weg naar de adellijke hoven vonden. Het was ‘Unterhaltungsmusik’, muziek voor aan tafel. Of men er ook naar luisterde, valt nog te bezien … Voor de burgers, in casu voor de studenten, had men ook een divertimento, soms ook wel serenade (avondmuziek) genoemd. Meestentijds werd er buiten gespeeld en dan bijvoorbeeld bij de intrede of het uitluiden van het Academisch Jaar. Het strijkkwartet en haar ‘buren’ - kwintet en sextet - waren daarentegen echte kamermuzieken. Het volmaakte strijkkwartet is door Haydn geschapen en de componisten na hem, dan wel zijn tijdgenoten, hebben zich aan hem gespiegeld, vandaar de bijnaam ‘Papa Haydn’. Mozart, die zich op andere gebieden misschien wel de meerdere achtte, heeft naar eigen zeggen daar nooit het niveau van Haydn kunnen bereiken. Alleen in zijn manuscripten voor de strijkkwartetten vindt men doorhalingen en onzekerheden …Beethoven, die enige tijd les heeft gehad van Haydn, heeft het strijkkwartet een heel eind verder ontwikkeld. Waar de structuur van het traditionele strijkkwartet met haar delen meest gehandhaafd bleef, trad hij in zijn laatste kwartetten buiten de gebaande paden en verliet de ijzeren structuur van de vierdeligheid. De kwartetten uit zijn zogenaamde middenperiode, waaronder het Harfenkwartet, vormen een trait d’union tussen de eerste kwartetten op.18 en de laatste reeks: nog wel de vierdeligheid maar meer en meer harmonische vrijheden.

Romantisch kwartet
Schubert, voor wie Beethoven het grote voorbeeld was, ook op kwartetgebied, spiegelde zich aan zijn voorganger en pakte de draad van de ‘Sturm und Drang’, waarmee Beethoven begonnen was, op en vormde deze om naar een romantisch kwartet, waarbij ook buitenmuzikale invloeden zoals gedichten een rol gingen spelen. Zo kennen wij van Schubert het kwartet ‘der Tod und das Mädchen’, waarbij het gedicht van Claudius zowel voor een lied als voor het gelijknamige kwartet dienst deed. We zitten met dit strijkkwartet al dicht in de buurt van Schuberts laatste levensjaar, waarin zijn enige strijkkwintet ontstond, volgens velen het mooiste stuk kamermuziek dat ooit is geschreven. Op zich was een strijkkwintet niet iets nieuws: Boccherini en Mozart gingen Schubert voor, maar ieder op een eigen wijze. Bij Boccherini was de samenstelling met twee celli, bij Mozart daarentegen met twee altviolen. Misschien mede dankzij het duistere karakter van zijn kwintet koos Schubert voor de Boccherini-versie, dus met twee celli, die voor veel extra diepte in klank en een haast nog grotere impact zorgen, getuige vooral het tweede deel. Ondanks dat dit kwintet officieel in C gr.t. staat is het overheersende gevoel een diepgevoeld mineur.

Nieuwe wind
Van kwintet naar sextet is dan niet meer zo’n grote stap. Hiervoor is slechts een nieuwe samenstelling nodig, waarbij de verdeling gelijk is: twee violen, twee alten en twee celli. Twee strijksextetten schreef Brahms, waarbij de ‘keurige’ vierdeligheid weer hoogtij viert. Brahms hield zich hier dus strikt aan de Weense traditie, maar zijn klankkleuren zijn voller en ook de
romantiek in de vorm van uitwaaierende frases maken de beide strijksextetten tot meesterwerken uit Brahms’ kamermuziek. Op hun beurt wezen zij weer de weg naar voren, naar Arnold Schönberg, die met zijn ’Verklärte Nacht’ een eindpunt was van de romantische sextet traditie. Met de ‘inval’ van het 12-toons systeem ging er letterlijk een nieuwe wind waaien.

Klik hier voor de reis naar het 'West-Cork festival'

Lees verder
Papa Haydn

Wagners Ring des Nibelungen

Auteur: Eveline Nikkels

Wagner Ring des Nibelungen

En de revolutie

“Aan de Rijn richt ik een theater op. Na een jaar voorbereiding voer ik dan in de loop van vier dagen mijn hele werk op. Daarmee geef ik de mensen van de revolutie de betekenis van deze revolutie.” Aldus Richard Wagner op 12 november 1851. Een visionaire boodschap verpakt in een haast onmogelijk plan: een theater, dat er nog niet stond en muziek die er nog niet was en dan toch al een ‘cadeau’ aan de revolutionairen?​

Wagner was een homo universalis, maar op een geheel andere wijze dan Leonardo da Vinci. Universeel was vooral zijn belangstelling voor wat de mens beroerde door de eeuwen heen. En het cadeau dat hij wenste te geven was zijn visie op dat wat wij thans het marxisme noemen, de ‘kleine man’ die evenveel recht heeft op rijkdom als de ‘uitbuiter’, de Heer en Meester. 

Götterdämmerung 
In zijn opus magnum de Ring des Nibelungen schetst Wagner in een langdurige parafrase op een nog steeds actueel thema de opkomst en ondergang van het kapitalisme, in zijn eigen termen ’De Godenschemering’, Götterdämmerung. Reeds in 1848, het revolutiejaar, vatte Wagner het idee op om de schuldige goden uiteindelijk ten onder te laten gaan, weliswaar met een tussenstap vol ‘verlossingshoop’, die echter uiteindelijk teloorgaat. Gegrepen was Wagner dus door het revolutie idee en hij schrijft daar zelf over: “Wij (dat zijn Wagner en zijn trawanten) hebben elkaar beloofd om met alle ons ten dienste staande middelen te helpen. Ik zal voortaan – tenzij ik aan het dichten of componeren ben – mijn literaire krachten spenderen aan ons doel, een doel dat geen enkele reactionaire macht ter wereld zal kunnen verhinderen.” Hier horen we al een vooraankondiging van de figuur van Alberich, de Nibelung die het op de godenwereld heeft voorzien, de Schwarzalbe tegenover de Lichtalbe Wotan. Hier nog extra aangezet omdat de Nibelungen ondergronds wonen en in de mijnen moeten werken, terwijl de goden zich rijk rekenen in hun Walhalla. 

Aanslag 
Vol goede moed is Wagner en inderdaad zal hij met pamfletten vol brallerige en broeierige taal proberen zijn medeburgers rijp te maken voor de revolutie. De autoriteiten hebben er geen moment aan getwijfeld dat Wagner twee gezichten had: een openbaar-gematigde (als dirigent) en een clandestien-revolutionaire. Daarom werd er ook op hem gejaagd als op Siegmund, de helft van de verliefde tweeling Siegmund en Sieglinde uit die Walküre, en is hij mirabile dictu aan een aanslag ontkomen, iets wat Siegmund zelf door inmenging van Fricka en Wotan niet is gelukt. Bij nacht en ontij moest Wagner Dresden verlaten en werd veroordeeld tot ballingschap. Drie jaar later schrijft hij: “Van mijn hele politiek is niets meer over dan de bloedigste haat voor onze gehele civilisatie, verachting voor al datgene dat uit haar ontspruit en een verlangen naar de natuur.” Verachting dus als van Hagen in de Götterdämmerung, een verlangen naar de natuur als in Siegfried. “Maar toch twijfel ik niet aan de toekomst” vervolgt Wagner, “alleen de meest verschrikkelijke en vernietigende revolutie kan van ons geciviliseerde beesten weer ‘mensen’ maken.”

Muziek aan de Rijn
Toch weer een brand in het Walhalla steken met behulp van Loge? Aan het eind van Götterdämmerung schrijft Wagner namelijk hoe een menigte mensen naar een toekomst kijkt die ongewis is, de muziek van de Rijn weerklinkt, zou het water alles wegspoelen en vooral schoonwassen? We zouden dus aan het eind weer gewoon van voren af aan kunnen beginnen. Een evolutie zien we overigens niet alleen in het proza ontwerp, dat begint met het slot Siegfrieds Tod, later omgewerkt tot Götterdämmerung, en dan met terugwerkende kracht uitkomt bij achtereenvolgens der junge Siegfried, die Walküre en Rheingold. Met Rheingold zijn we dan bij de revolutie aangeland en bij de driedeling in de ‘beschaving’: slaven (de mijnwerkende Nibelungen), een reuzenras (die Riesen) dat uitstekend werk doet als bouwvakker (toch weer een graadje hoger dan de mijnwerker) en de ‘witte boorden crimis’, hier de goden. Ook hun behuizingen worden genoemd: Nibelheim, Riesenheim en Walhalla, niet iets van Götterheim, al is het dat natuurlijk wel. Het zal blijken dat Wagner de revolutie naar de geest belijdt, maar dat hij zichzelf meer en meer plaatst boven de massa.

Fluweel
Zo’n zelfde ambivalentie spreekt er eigenlijk ook uit de Ring, waar sympathie met de ‘underdog’ in de ‘underground’ (hier letterlijk te nemen!) zoals in Rheingold, langzaam maar zeker verandert in een sympathie met de goden en specifiek met Wotan. En zo verwisselt ook Wagner in de loop van zijn leven de revolutionaire baret voor een van fluweel, een vorst passend, en wordt de stofjas vervangen door een fluwelen kamerjas. Dit alles dankzij de steun van een echte vorst: Ludwig II van Beieren, zonder wie wij nooit een voltooide Ring zouden hebben kunnen zien en horen. Een prachtig voorbeeld van Noblesse oblige!

Klik hier voor de reis naar Leipzig

Lees verder
Wagners Ring des Nibelungen

Het graf van Archimedes

Auteur: Fik Meijer

Een raadselachtige plek

Het 'graf' van Archimedes

​Mensen voelen zich aangetrokken tot plaatsen die met beroemde figuren uit het verleden in verband gebrachtkunnen worden. Dat was vroeger het geval en dat is nog steeds zo. Maar lang niet altijd staat het vast dat zo’n verbinding ook echt op feiten berust. In het archeologische park van Syracuse, niet ver van het imposante theater en te midden van diepe steengroeven, is zo’n plek: een rots waarvan men denkt dat zich hier het graf bevindt van de grootste geleerde van de oudheid, Archimedes. Als we erheen lopen zien we niets bijzonders. Het ‘graf‘ blijkt een bewaarplaats van urnen, een zogeheten columbarium, uit de eerste eeuw v.Chr. Maar ja, dat spreekt minder aan dan het ‘graf’ van Archimedes.

Archimedes is een begrip. Wat hij tijdens zijn lange leven (hij leefde van 287-212 v.Chr.) allemaal heeft bedacht grenst aan het ongelooflijke. Hij hield zich bezig met allerlei thema’s uit de fysica, de astronomie en de mechanica, maar hij was toch vooral wiskundige. Zijn ontdekking dat een voorwerp in het water evenveel water verplaatst als zijn eigen volume, heeft hem een grote bekendheid opgeleverd. Zijn uitspraak eureka, ik heb het gevonden, is wereldberoemd. Overal een antwoord op Archimedes was nauw betrokken bij de verdediging van Syracuse toen de Romeinen de stad in 212 v.Chr. aanvielen. Wat de Romeinen ook bedachten, Archimedes had er een antwoord op. Tegen de schepen die de muur zo dicht naderden dat de projectielen er over heen vlogen, bedacht hij het volgende. Door middel van een hefbalk die boven de muur uitstak werd een ijzeren grijphaak aan een stevige ketting op de voorsteven van een schip geworpen. Wanneer de balk door een zwaar loden tegengewicht naar de grond terugsloeg, werd de voorsteven opgetild en kwam het schip op zijn achtersteven te staan. Dan werd het plotseling losgelaten en kwam, alsof het van de muur viel, onder enorme paniek van de bemanning zo hard in het water terecht dat het ook bij een rechte landing heel wat water maakte. Ook zou hij spiegels hebben bedacht, die zo op de zon werden gericht dat ze de stralen onder een bepaalde hoek opvingen en terugkaatsten naar de schepen van de Romeinen. De zeilen en masten zouden onmiddellijk vlam hebben gevat en een deel van de Romeinse vloot zou verloren zijn gegaan. Maar dit verhaal is vermoedelijk een verzinsel.

Verraad
Toch kon Archimedes de inname van Syracuse niet voorkomen. De stad viel door verraad. De, door het lange beleg gefrustreerde, soldaten plunderden de stad en doodden vele inwoners. Archimedes was een van de slachtoffers, tegen het uitdrukkelijke bevel van de Romeinse bevelhebber Marcellus in, zo wil althans de traditie. Ondanks de problemen die Archimedes hem had bezorgd had hij grote waardering voor de prestaties van de bejaarde geleerde. Zoals zo vaak in de verslaglegging van de dood van grote figuren, verdringt de legendevorming de waarheid en zijn er spectaculaire versies over Archimedes’ dood in omloop gekomen. De meest verbreide weergave is dat hij bij de uitvoering van zijn wetenschappelijke werk werd ontdekt door een soldaat en het bevel kreeg mee te gaan naar Marcellus. De over zijn geometrische figuren gebogen Archimedes negeerde het verzoek, omdat hij de bewijsvoering van een vraagstuk nog niet rond had. Of hij tegen de soldaat geroepen heeft noli turbare circulos meos (breng mijn cirkels niet in verwarring), zoals de overlevering wil, is niet zeker, al past het wel bij een man wiens hele leven in dienst had gestaan van de wiskunde. De soldaat kon het gedrag van Archimedes niet waarderen, trok zijn zwaard en doodde hem.

Vergetelheid
Marcellus gaf Archimedes een eervolle begrafenis, maar zijn graf werd geen bedevaartsoord voor Syracusanen die hun vermaarde stadgenoot in ere wilden houden. Een wetenschapper spreekt nu eenmaal minder tot de verbeelding dan een krijgsheld. Archimedes raakte meer en meer in
de vergetelheid. Slechts een kleine groep filosofen en wetenschappers hield de herinnering aan hem levend, debatteerde over zijn ideeën en wilde de plek bezoeken waar hij was begraven. Cicero wist in 75 v.Chr., 137 jaar na Archimedes’ dood, het sterk verwaarloosde, met struiken overwoekerde graf te lokaliseren. Of het door Cicero ontdekte graf zich in het Archeologisch park van Syracuse bevindt is hoogst twijfelachtig. We zullen er tijdens ons bezoek bij stilstaan.

Klik hier voor de reis naar Sicilië

Lees verder
Het graf van Archimedes

Archilochos van Paros

Auteur: Henk Singor

Archilochos van Paros

De eerste individuele Europeaan

​In het kleine museum van Paros ligt op een houten onderstel een zeer bijzonder Ionisch kapiteel. Het dateert uit de zesde eeuw v.Chr. en bekroonde oorspronkelijk een kleine zuil, die verdwenen is. Ook is verdwenen wat er op het kapiteel moet hebben gestaan, namelijk een sfinx, het gevleugelde monster met vrouwenhoofd dat zo dikwijls de grafstèles van aanzienlijke personages in het archaïsche Griekenland sierde. Want ook dit kapiteel heeft deel uitgemaakt van een grafmonument.

Dat wordt nog eens bewezen door de inscriptie die op het kapiteel is aangebracht door een zekere Dokimos, een burger van Paros, in de vierde eeuw. Daarin lezen we dat het monument het graf had getooid van Archilochos, de zoon van Telesikles, uit Paros. Dokimos bracht zijn inscriptie aan, toen men bijna driehonderd jaar na zijn dood een tempeltje bouwde voor de toen beroemde dichter: een eenvoudig gebouwtje met aan de voorzijde vier Dorische zuilen. Keek men tussen de twee middelste zuilen door de geopende deur erachter in de cella van dat heiligdom, dan zag men daar, op de plaats waar in een godentempel het beeld van de godheid stond, het monument voor Archilochos, waarvan nu alleen het Ionische kapiteel bewaard gebleven is.

Oorlogsvoering en poëzie
Archilochos leefde in het midden van de zevende eeuw v.Chr. Zijn vader was een aanzienlijk man op het eiland Paros, maar zijn moeder was een slavin. Als een bastaard zou Archilochos nooit de positie van zijn vader kunnen overnemen. Hij werd een avonturier, die als beroepssoldaat meevocht in de vele conflicten en oorlogjes die de Griekse wereld toen teisterden en waarin ook Paros betrokken was. Altijd viel er wel te vechten, als het niet tegen de bewoners van het naburige eiland Naxos was, dan wel tegen de Thracische barbaren op de kust van Noord-Griekenland, waar vanuit Paros op het eiland Thasos een kolonie was gesticht. Archilochos vocht dapper mee, maar zijn hart lag elders. Want hij was niet alleen soldaat, maar ook dichter. Poëzie en oorlogvoering waren natuurlijk verenigd in het werk van Homerus, wiens Ilias nog maar kort voor de geboorte van Archilochos moet zijn voltooid en een immense invloed op alle Grieken uitoefende. In dat epos werd over de oorlog gesproken in verhalen over heroïsche krijgers die in een ver verleden schitterende heldendaden hadden verricht. Archilochos deed het anders. Hij sprak over de oorlog in het heden, over zijn eigen ervaringen, en in de ik-vorm. In plaats van epiek, de poëzie die in een vaak verheven stijl vol traditionele elementen over anderen verhaalde, produceerde Archilochos als eerste lyriek, poëzie die over de ervaringen en emoties van de dichter zelf handelde. En niet alleen dat was ‘modern’, ook de wijze waarop hij zichzelf in zijn poëzie aan de toehoorders voorstelde was dat.

Wapen, wijn en liefde
Archilochos was een vechter die niet van oorlog hield. Bij hem geen verheerlijking van de heldenmoed op het slagveld, alleen om door anderen geprezen te worden. Een beroemde en beruchte passage van hem luidt: “Laten de barbaren maar blij zijn met mijn schild dat ik in de bosjes heb gegooid. Ik deed het niet graag, want het was een goed schild, maar ik redde tenminste mijn leven. Wat kan mij dat schild nog schelen! Ik koop wel een ander dat nog beter is.” Je schild weggooien deed je alleen op de vlucht; en vluchten deed een ware held niet, luidde het heroïsche ideaal. Maar Archilochos had daar lak aan, al was hij een moedig man. Hij moest weinig hebben van de aristocraten met hun verzorgde haar en gladgeschoren kinnen. Veel liever had hij de kleine, lelijke man met kromme benen, die tenminste wist wat vechten was. Maar de oorlog was maar één kant van zijn leven; de rest werd gevuld met ‘Wein, Weib und Gesang’. “Ik ben een dienaar van Heer Enyalios en het lieflijke geschenk van de muzen is mij al even bekend.” Het geschenk van de muzen was Archilochos’ poëzie. Archilochos vocht om in leven te blijven en van de wijn en de liefde te kunnen genieten, hij vocht niet voor roem. “Men noemt mij een huurling, een Kariër”, schrijft hij. Kariërs uit Zuidwest-Klein-Azië waren bekende huursoldaten in die tijd. “Dankzij mijn speer eet en drink ik; daarom drink ik op mijn speer!” “Zij hield een myrtetakje in de hand, verblijd daarover en over een roos in bloei, het haar hing op haar schouders neer, beschaduwde haar rug...” Voor de liefde leefde Archilochos, al weten we niet wat er van al zijn verliefdheden terechtgekomen is. “De jongste dochter van Lykambes, haar alleen...” Maar of dat iets geworden is? En dan weer haalt hij uit naar medestrijders op wie men zich niet verlaten kan. Van de grote koning Gyges van Lydië heeft hij wel gehoord, maar jaloers is hij niet. Het leven dat hij kende, zijn speer, de wijn en de liefde, waren hem genoeg.

Eeuwige roem
Archilochos was een modern mens, de eerste individuele persoonlijkheid die we uit zijn werk kennen. Dat werk is helaas voor het grootste deel verloren gegaan. We hebben enkele stukken van gedichten die door anderen in de oudheid geciteerd zijn, en we hebben een verzameling van meest zeer korte fragmenten, snippers van poëzie, die op papyrus in Egypte zijn gevonden. Daaruit blijkt dat Archilochos spoedig erkenning moet hebben gevonden als dichter en in de hele Griekse wereld beroemd was. Die roem vond hij na zijn dood; hij schijnt gesneuveld te zijn in een van de vele gevechten tussen de mannen van Paros en het naburige Naxos. Een legende wil dat de man die hem doodde door de priesters van Apollo niet in het orakel van Delfi toegelaten werd, omdat hij ‘onrein’ zou zijn, hoewel het in een eerlijk gevecht was gebeurd. In zijn eigen vaderland volgde die erkenning ook spoedig. Het duurde niet lang of Archilochos werd er vereerd als een heros, dat wil zeggen als een bijzondere dode, wiens geest eigenlijk nog voortleefde en aan wie men eerbewijzen en offers bracht. In de zesde eeuw werd het monument opgericht waarvan alleen het Ionische kapiteel in het museum van Paros nog een restant is. Een eeuw na de bouw van het ‘graftempeltje’ – een cenotaaf – voor de grote dichter werd het in de derde eeuw v.Chr. grondig gerestaureerd door een zekere Mnesiepes, naar zijn zeggen op aanwijzing van niemand minder dan de god Apollo in Delfi.

Verdwenen koe
In de verschillende inscripties die Mnesiepes liet aanbrengen werd ook het verhaal verteld van Archilochos’ roeping door de muzen. Als jongen dreef Archilochos een koe van zijn vader naar de stad om die te verkopen; het daglicht was nog niet aangebroken, toen een groep vrouwen in het maanlicht hem tegemoet kwam. Archilochos maakte grapjes met hen en zij lachten en vroegen hem of hij de koe te koop aanbood; zij zouden hem er een bijzondere prijs voor willen betalen. Ze hadden dat nog niet gezegd, of ze waren verdwenen. Ook de koe was weg, maar in haar plaats vond Archilochos een lier. En daarmee begon zijn leven als dichter. De Pariërs waren bijzonder trots op hun landgenoot, wat Achilochos zelf niet verwacht zal hebben. Een eeuw na Mnesiepes heeft diens nakomeling Sosthenes het tempeltje van de dichter, het Archilocheion, nogmaals venieuwd. Pas veel later, in de Romeinse tijd, zou het in verval raken.

Klik hier voor de reis naar de Cycladen

Lees verder
Archilochos van Paros

Koninklijke graven

Auteur: Henk W. Singor

Kunstschatten van Aigai

Koninklijke graven

​In 1977 deed de Griekse archeoloog Manolis Andronikos een spectaculaire ontdekking. In een lage grafheuvel bij het plaatsje Vergina in Noord-Griekenland werd een graftombe van twee kamers blootgelegd, kort daarop een tweede tombe, in 1978 een derde en in 1980 een vierde. Op deze plaats lag het antieke Aigai, de oude hoofdstad van het koninkrijk Macedonië. De tomben onder de grafheuvel moesten dus toebehoren aan de Macedonische koninklijke familie.

​Aigai was sinds de zevende eeuw v.Chr. de residentie van de Macedonische koningen tot in het begin van de vierde eeuw v.Chr., toen in Pella, verder naar het noordoosten, een nieuw paleis werd gebouwd. De beroemdste Macedonische koning, Alexander de Grote, werd daar in 356 v.Chr. geboren. Maar Aigai bleef de eerbiedwaardige stad voor koninklijke ceremoniën – en voor de koninklijke graven. Toen Philippos II, Alexanders polygame vader, in 336 voor de zevende keer trouwde, ditmaal met de Macedonische Cleopatra, vonden de feestelijkheden in Aigai plaats. Maar bij het betreden van het theater aldaar werd hij vermoord, het slachtoffer van een nog altijd onduidelijke samenzwering. Hij werd gecremeerd en met alle pracht en praal die een Macedonische veroveraar-koning toekwam bijgezet in een van de koninklijke tomben ter plaatse.

Gouden krans van eikenloof
Van de vier die archeoloog Andronikos had aangetroffen waren de tombes II en III ongeschonden, maar de andere al in de oudheid door plunderaars leeggeroofd. Volgens Andronikos moest tombe II die van Philippos geweest zijn. Dat is sindsdien vaak betwijfeld, maar nieuw onderzoek van de skeletresten in 2010 heeft uitgewezen dat het hoogst waarschijnlijk, of vrijwel zeker, inderdaad Philippos was wiens overblijfselen men in de achterkamer van de tombe had ontdekt. Deze lagen in een gouden beenderenkist, samen met een gouden krans van eikenloof die weer in een marmeren sarcofaag was geplaatst. De resten van een goudivoren doodsbed, zilveren vaatwerk en vergulde en verzilverde onderdelen van wapenrustingen bevestigden het koninklijke karakter van de tombe die op stilistische gronden (onder meer de muurschildering – een jachttafereel – boven de ingang) in de laatste decennia van de vierde eeuw moest worden gedateerd. Bovenal bewees de schedel van de gestorvene dat op gewelddadige wijze de rechter oogkas was uitgehold: en wij weten dat Philippos sinds 354 als gevolg van een vijandelijk pijlschot zijn rechteroog miste. In de voorkamer van tombe II was ook een gouden beenderenkist aangetroffen met skeletresten van een vrouw, een met goud bezet purperen kleed en een gouden diadeem. Men veronderstelt dat dit Meda was, de Thracische vrouw van Philippos, die zich van het leven beroofd had om hem in de dood te vergezellen. In de leeggeroofde tombe I trof men in een schacht het gebeente van een andere vrouw, vermoedelijk Nikesipolis, een Thessalische echtgenote van de koning, die al eerder gestorven was. Een bewaard gebleven schitterende muurschildering toont de roof van Persephone door de god van de onderwereld.

Zilver en ivoor
Naast Philippos’ tombe werd een andere, eveneens ongeschonden tombe blootgelegd: tombe III. Ook deze bestond uit twee kamers, waarvan alleen de achterste gecremeerde beenderenresten in een zilveren watervat bevatte, naast opnieuw zilveren vaatwerk, verzilverde wapens en resten van het goud-ivoren doodsbed waarop de gestorvene gecremeerd was. Meestal wordt verondersteld dat het hier het stoffelijk overschot van Alexander IV betreft, de postuum geboren zoon van de grote Alexander, die op 12- of 13-jarige leeftijd samen met zijn moeder, de Iraanse Roxane, in Amphipolis was vermoord. Dat was gebeurd op bevel van Kassandros, die in de verwarde jaren na Alexanders dood als illegitiem heerser over Macedonië de wettige aanspraken van de jonge Alexander moest vrezen. Maar of het in tombe III inderdaad om die zoon van Alexander de Grote gaat, is niet absoluut zeker. Zijn moeder is er in elk geval niet begraven. De laatste, weer geschonden, graftombe zou aan Antigonos Gonatas toebehoord kunnen hebben. Als koning van Macedonië (276-239) heeft hij waarschijnlijk de grafheuvel over de vier tomben aangelegd om ze tegen plunderingen te beschermen, waarin hij dus gedeeltelijk is geslaagd. Schatkamer bewaard De Grieken hebben over de tomben het Museum van de Tumulus gebouwd (in 1993 geopend). De meeste daar gevonden schatten zijn in dit indrukwekkende museum te zien (de rest in Thessaloniki). Intussen zijn er meer tombes buiten de tumulus ontdekt, in 2014 nog vijf. Die behoorden mogelijk aan andere leden van Alexanders familie – of aan de familie van Kassandros, de moordenaar. Het gebeente van de veroveraar zelf belandde in Egypte in het door hem gestichte Alexandrië en is daar na eeuwen verloren gegaan.

Klik hier voor de reis naar Noord-Griekenland

Lees verder
Koninklijke graven

Kerk van de Heilige Apostelen

Auteur: Fik Meijer

Verdwenen kerken

Kerk van de Heilige Apostelen

​Istanbul telt nog vele oude kerken uit de tijd van keizer Justinianus. Na de verwoestingen bij het Nika-oproer van wagenrensupporters in 532 had hij de hele stad op de schop genomen en verrijkt met vele kerken. De Hagia Sophia is het absolute hoogtepunt, maar ook de nabij gelegen kerken van de Hagia Eirene en de tot moskee omgebouwde kerk van de martelaren Sergius en Bacchus mogen er zijn. Van andere kerken zijn de sporen geheel uitgewist. Je hebt altijd de hoop dat je nog iets terugziet van de oervorm, maar meestal is het zoeken daarnaar verspilde moeite. Zo kan het gebeuren dat je ergens staat en met de tekst van een oude geschiedschrijver in de hand tevergeefs zoekt naar restanten van een ouder gebouw dat daar ooit heeft gestaan. Het gemis aan tastbare sporen is niet zo erg als het gaat om een nieuwere versie van een oude basilica. Je kunt je dan voorstellingen maken van de kleine oorspronkelijke kerk en er vrede mee hebben dat die is opgenomen in het grote nieuwe geheel. Anders is het als een eeuwenoud bouwwerk compleet van de aardbodem is verdwenen, omdat nieuwe machthebbers er een andere ideologie op na hielden, waarin geen plaats was voor het oude.

Voor mij is de Kerk van de Apostelen het grootste raadsel van Istanbul. Constantius II, de zoon van de legendarische Romeinse keizer Constantijn, had de eerste versie laten bouwen, keizer Justinianus wilde die twee eeuwen later vervangen door een nieuwe kerk, nadat hooligans in 532 de oude kerk in de as hadden gelegd. De architecten legden een kruisvormig grondplan uit en boven elk van de vier armen werd een koepel aangebracht – en nog een op de plek waar de vier armen elkaar raken. Er moet van zo’n monumentaal kerkgebouw toch iets zijn terug te vinden. Het zoeken wordt echter ernstig bemoeilijkt, want op de plaats waar deze kerk heeft gestaan bevindt zich nu de Fatih-moskee. Iedere herinnering aan het christelijke verleden is verdwenen. De laatste rustplaats van Constantijn en vele van zijn opvolgers is onzichtbaar.

Fatih
Op 29 mei 1453 deed sultan Mehmed II, die van de zegevierende Turken al snel de bijnaam Fatih (de veroveraar) kreeg, zijn intrede in de stad. Hij reed onmiddellijk door naar de Hagia Sophia. Voordat hij de kerk binnenging strooide hij aarde uit over zijn tulband als bewijs van zijn nederigheid. Onmiddellijk beval hij dat de kerk moest worden omgebouwd tot een moskee en voortaan Aya Sofya Camii Kabir zou heten. Twee dagen later, op vrijdag 1 juni, woonde Mehmed hier het middaggebed bij. De Hagia Sophia staat er nog steeds, maar de Kerk van de Apostelen was een slechter lot beschoren. Eerst leek het er nog op dat deze kerk als christelijk bolwerk behouden zou blijven, maar tien jaar na de verovering van Constantinopel trok Mehmed II zijn eerdere toezegging aan de patriarch in en besliste alsnog dat de kerk moest worden afgebroken om plaats te maken voor een moskee. Zeven jaar later was de immense Fatih Camii gereed. Het was de eerste grote moskee van de stad en werd de plaats waar Mehmed zijn laatste rustplaats zou vinden.

Hulp van God
De vraag rijst onmiddellijk waarom Mehmed de Kerk van de Apostelen liet slopen? Was het omdat hij wilde afrekenen met het verleden en wilde laten zien dat er in Istanbul, zoals de stad nu heette, een nieuwe tijd was aangebroken? Het is niet uit te sluiten, want in de kapel naast het mausoleum van Constantijn lagen verscheidene keizers begraven. Maar het is ook mogelijk dat hij zich juist in de traditie van het verleden wilde plaatsen. Hij liet immers weten dat hij de stad had hersticht en plaatste zich daarmee rechtstreeks in de traditie van Constantijn, die zich er eveneens op had laten voorstaan dat hij met hulp van God het oude Byzantium had hersticht. Dat was in 330 geweest. Ook Mehmed II wilde de stad fraaier en grootser opbouwen. In een ongetwijfeld apocrief, maar daarom niet minder boeiend, verhaal wordt verteld dat hij de architect van de Fatih Moskee liet onthoofden, omdat de koepel van de moskee kleiner was dan die van de Hagia Sophia. Waar of niet waar, het verhaal past in ieder geval bij de ambitie van Mehmed II om deze moskee en zijn tombe tot het middelpunt van de religieuze beleving in de stad te maken. De groots opgezette voorhof en de van wit marmer opgetrokken muren van de Fatih Moskee zijn een schitterend staaltje van de grote bouwkunst van de Turken. De moskee ligt in een conservatieve, sterk religieuze wijk, met veel gesluierde vrouwen. Er zijn altijd mensen binnen, ook buiten de vaste gebedsuren. Wanneer ik in Istanbul een groep rondleid, breng ik hen altijd naar deze prachtige moskee, om te genieten van het vele moois, maar ook om uit te leggen hoe nieuwe machthebbers de trots van de oude heersers vernietigd hebben. De Kerk van de Heilige Apostelen is daar het beste voorbeeld van.​

Klik hier voor de reis naar Istanbul

Lees verder
Kerk van de Heilige Apostelen

Machtige sponsors

Auteur: Karel Ankerman

Nieuwe musea en kunstcentra

Machtige sponsors

​Milaan behoort tot de grootste economische en financiële steden van Europa. De stad heeft een prachtig historisch centrum met een keur aan bouwstijlen. En het is tevens het centrum van mode en design met als hoogtepunten de modeweek van Milaan en de jaarlijkse Salone del Mobile. De musea voor de oude kunst zijn gevarieerd en huisvesten de meest toonaangevende kunstcollecties van Italië. Maar decennialang liep de stad achter op het gebied van moderne en hedendaagse kunst. Daar is de afgelopen twee jaar verandering in gekomen. Zo vinden in de Galleria d’Arte Moderna regelmatig tentoonstellingen plaats van internationale hedendaagse kunstenaars. Maar het zijn vooral de privé-instellingen die in voormalige industriële complexen nieuwe musea en kunstcentra openden.

De Italiaanse autobandenfabrikant Pirelli sponsorde HangarBicocca, een van de grootste expositieruimten voor beeldende kunst in Europa. De modekoning Giorgio Armani opende zijn eigen museum in een voormalige graansilo. En de modemultinational Prada opende een gloednieuw kunstcentrum dat als een archipelago in een industriële wijk van Milaan ligt.

Modekoningin
De Società Italiana Spiriti was ooit de belangrijkste distilleerderij in het industriële hart van Milaan. Maar het enorme pakhuis en de laboratoria uit 1910 raakten in de loop der jaren in verval: kapotte muren, afbladderende verf en dichtgetimmerde ramen. Vorig jaar begon het complex in de wijk Largo Isarco aan een nieuw leven. Het ambitieuze project is het geesteskind van mode-ontwerpster Miuccia Prada en haar echtgenoot Patrizio Bertelli. De stichting zal fungeren als een belangrijk cultureel centrum voor een stad. Het bestaat uit zeven gebouwen waaraan architect Rem Koolhaas van OMA drie nieuwe ontwerpen toevoegde die samen een gigantisch kunstcentrum vormen. Het complex wordt gedomineerd door een imposante witte toren met expositieruimten, een ruim opgezet restaurant, een bibliotheek en een multifunctionele bioscoop.

Fabelachtige kunstcollectie
Wes Anderson, de eigenzinnige Amerikaanse regisseur van de kaskraker The Grand Budapest Hotel ontwierp het café Bar Luce. Deze ruimte is gemodelleerd naar een klassiek Milanees café uit de negentiende eeuw. Koolhaas zegt over het nieuwe complex van Prada: “Het is nadrukkelijk geen conserveringsproject en ook geen nieuw ontwerp. De complexe architectuur en de verscheidenheid van ruimten reflecteren de open programmering van de stichting”. In het complex wordt ook een selectie van de fabelachtige kunstcollectie van Prada tentoongesteld. De Fondazione Prada opende vorig jaar met een expositie van klassieke, Griekse en Romeinse beelden. De keus om in een hedendaagse kunstcentrum met een tentoonstelling van oude kunst van start te gaan is typerend voor de tegendraadse opvattingen van modeontwerpster Miuccia Prada, niet iemand die voor de gemakkelijkste weg kiest. Maar wel een weg die loont. Sinds de beursgang van het bedrijf in 2011 in Hong Kong staat Miuccia Prada op de Forbes Magazine lijst van meest invloedrijke vrouwen ter wereld met een vermogen van zo’n vier miljard dollar. Het succes van de onderneming wordt toegeschreven aan de complementaire talenten van Miuccia Prada en bestuursvoorzitter Patrizio Bertelli, respectievelijk de creatieve muze en het zakelijk brein achter de onderneming.

Artistiek onderzoek
De hedendaagse kunst is hun gezamenlijk passie en de Fondazione Prada een project van hen beiden. De in 1995 opgerichte stichting wil het werk van hedendaagse kunstenaars, filmmakers en architecten promoten. Zo heeft het cineasten als Wes Anderson en Roman Polanski korte films voor Prada projecten laten maken. En Miuccia Prada vroeg Koolhaas in 1999 mee te denken over de toekomst van het merk. De samenwerking resulteerde onder andere in ontwerpen voor Prada Epicenters, de grensverleggende Flagship Stores in New York, Los Angeles en Tokyo. Een toenemend aantal eigenaren van luxemerken zet onverbloemd kunst en architectuur in voor de marketing van het concern: Bernard Arnault van LVMH opende zijn privémuseum in Parijs, zijn rivaal Henri Pinault van Kering doet niet voor hem onder en heeft zelfs twee musea voor zijn privécollectie in Venetië. De Fondazione Prada in Milaan lijkt op het eerste gezicht deze trend te bevestigen. Maar Miuccia Prada zegt dat het van vitaal belang is dat de stichting wordt gezien als een ruimte voor artistiek onderzoek en geen verlengstuk voor de marketing van haar bedrijf. Al moet zij toegeven dat deze vorm van experimenteren niet onmiddellijk verenigbaar is met de harde, zakelijke eisen van een van de toonaangevende luxe merken ter wereld. Maar ze benadrukt wel: “we sluiten principieel iedere vorm van samenwerking tussen kunstenaars en Prada’s modecollectie uit”.

Klik hier voor de reis naar Milaan

Lees verder
Machtige sponsors

Bewaarde
reizen

Larenweg 40, 5234 KA 's-Hertogenbosch 020 589 29 40 info@academischereizen.nl
  • Volg ons via Facebook

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van nieuwe reizen en actuele informatie.